Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 6 augustus 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Bron van inkomen
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een beeldend kunstenaar, voerde in hoger beroep aan dat haar activiteiten als bron van inkomen moesten worden aangemerkt en dat het negatieve resultaat in 2019 in aanmerking genomen moest worden. De Inspecteur betwistte dit en stelde dat er geen objectieve voordeelsverwachting bestond vanwege de structurele verliessituatie.
De Rechtbank had reeds geoordeeld dat de activiteiten geen bron van inkomen vormden omdat er geen objectieve verwachting was dat voordeel uit de activiteiten zou voortvloeien. Dit oordeel werd gebaseerd op jarenlange negatieve resultaten, met uitzondering van 2018, waarin een incidentele boekwinst werd gerealiseerd.
Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een objectieve voordeelsverwachting aannemelijk maken. Ondanks het feit dat belanghebbende sinds haar pensionering meer tijd aan haar activiteiten kon besteden, leidde dit niet tot hogere opbrengsten of positieve resultaten. De coronapandemie en incidentele positieve resultaten veranderen hier niets aan.
Daarmee is het beroep ongegrond verklaard en blijft de aanslag op het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de activiteiten van belanghebbende in 2019 geen bron van inkomen vormen en verklaart het hoger beroep ongegrond.