Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning en stelde dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase onvoldoende en onzorgvuldig had gemotiveerd, waardoor zij gedwongen was beroep in te stellen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en wees proceskosten toe.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de vergoeding te laag was en dat zij recht had op vergoeding van het griffierecht. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar vrij was om in elke fase nieuwe vergelijkingsobjecten te gebruiken, mits de goede procesorde werd gerespecteerd, en dat hiervan geen sprake was. De motivering en zorgvuldigheid in de bezwaarfase waren voldoende.
Het hof stelde vast dat de redelijke termijn met vijf maanden was overschreden en dat op grond van recente jurisprudentie van de Hoge Raad een vergoeding van €500 per half jaar passend is, tenzij het financiële belang gering is. Omdat de waarde niet was gewijzigd en het belang groter dan €1000 was, verhoogde het hof de immateriële schadevergoeding naar €500. Tevens veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en stelde de proceskosten voor het hoger beroep vast.