Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof waarin het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep. Het hoger beroep was pro forma ingesteld, maar de gronden en een recente machtiging ontbraken bij indiening. Het hof wees belanghebbende op deze verzuimen en stelde een hersteltermijn.
De gemachtigde van belanghebbende verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden en de machtiging, waarbij het hof alleen uitstel verleende voor de machtiging. De gronden werden pas na afloop van de hersteltermijn ingediend, zonder verschoonbare redenen. Het hof oordeelde dat het hoger beroep daardoor terecht niet-ontvankelijk was.
Belanghebbende voerde aan dat het weigeren van uitstel voor de gronden een onrechtmatige beperking van de toegang tot de rechter vormde, verwijzend naar het Handvest van de Grondrechten van de EU. Het hof verwierp dit en overwoog dat het nationale procesrecht in overeenstemming is met het Unierecht en dat het hof niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen.
Het verzet is ongegrond verklaard en er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag op 21 mei 2025.