In deze zaak heeft belanghebbende, een natuurlijke persoon, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van de Belastingdienst inzake de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2015. Belanghebbende had op 15 juni 2020 een herziene aangifte ingediend, waarin hij een gift aan een vereniging had verhoogd naar € 6.000. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gift voldoet aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna hij hoger beroep heeft ingesteld. Het Gerechtshof heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat de hoorplicht niet is geschonden. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende niet voldoende bewijs heeft geleverd voor de aftrekbaarheid van de gift. De Inspecteur heeft terecht het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Het Hof heeft ook geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De uitspraak van het Hof is gedaan op 24 juni 2025.