5.13.Het Hof beoordeelt hierna de onderscheiden elementen van de ondernemingstoets, zoals hierboven uiteengezet. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan feitelijke aspecten van de jaren 2016 en 2017 die slechts van belang zijn voor de beoordeling van de objectieve voorwaarde in die jaren. Hiervoor is gekozen vanwege de verregaande overlap in de invulling van de ondernemingstoets en de objectieve voorwaarde en omwille van de leesbaarheid. Beide toetsen worden hierna dus geïntegreerd beoordeeld, tenzij het gaat om feiten en omstandigheden die specifiek betrekking hebben op de jaren 2013 tot en met 2015 (ondernemingstoets) dan wel de jaren 2016 en 2017 (objectieve voorwaarde). Onder 5.20.1 tot en met 5.22 zal het Hof ingaan op verschillen tussen de ondernemingstoets en de objectieve voorwaarde en de relevantie daarvan voor de beoordeling van het voorliggende geschil.
Ligt de onderneming van [B.V. 7] in het verlengde van de onderneming van belanghebbende?
5.14.1.De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende niet een onderneming drijft in de zin van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb – en de deelneming in [B.V. 7] dus niet behoort tot het vermogen van een onderneming – onder meer aangevoerd dat belanghebbende geen werknemers in dienst had, geen arbeidskrachten heeft ingehuurd en dat de bestuurders geen beloning hebben ontvangen voor hun werkzaamheden. Dit wordt bevestigd door de jaarrekeningen van belanghebbende en de aangiften winstbelasting 2013 en 2014 die zijn ingediend in Cyprus. Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat zij regelmatig heeft gebruikgemaakt van diensten van personeel elders uit de groep, waaronder de afdeling overhead, maar dat de kosten daarvan (abusievelijk dan wel om praktische redenen) niet aan haar zijn doorbelast. Het Hof stelt echter vast dat het door belanghebbende overgelegde overzicht van werkzaamheden van medewerkers van de groep ten behoeve van belanghebbende en [B.V. 7] in de jaren 2013 tot en met 2017 deze stelling niet ondersteunt, reeds omdat bijna alle vermelde activiteiten betrekking hebben op [B.V. 7] en [Onderneming 5] . Dit laatste geldt niet voor de bestuurder van [B.V. 7] en de externe auditor van belanghebbende die in 2016, evenals de UBO, betrokken waren bij het openen van een bankrekening op naam van belanghebbende, maar deze activiteit is niet als substantieel aan te merken. Ook overigens blijkt uit niets dat belanghebbende in enig jaar van diensten van werknemers van groepsmaatschappijen gebruik heeft gemaakt. Anders dan belanghebbende stelt, kunnen de activiteiten van zustervennootschappen van belanghebbende op Cyprus, die overigens niet verder zijn gespecificeerd, in dit kader niet worden meegewogen. De factor arbeid, die vereist is voor het constateren van een materiële onderneming, ontbreekt dus naar het oordeel van het Hof.
5.14.2.Ten aanzien van de door belanghebbende in de jaarstukken gerapporteerde vergoedingen voor marktonderzoek in 2013 en 2014, stelt de Inspecteur dat het onderzoeksverslag gedateerd 27 december 2013 feiten van latere data bevat. Het onderzoeksverslag uit 2014 is niet overgelegd. Volgens het ‘Attorney report on irregularities’ gedateerd 27 december 2018 (zie 2.20.4) heeft de heer [E] , de bestuurder van [B.V. 7] , hierover verklaard dat hij het onderzoeksverslag gedateerd 27 december 2013 pas na 26 september 2018 heeft opgesteld met behulp van informatie uit de jaren 2015 tot en met 2018. Deze verklaring bevestigt dat het onderzoeksrapport gegevens van latere jaren bevat. Zelfs als deze gang van zaken het gevolg was van een defect aan de harde schijf van een computer, zoals de bestuurder van [B.V. 7] volgens het rapport stelt, biedt het voorgaande naar het oordeel van het Hof voldoende grond voor het vermoeden dat belanghebbende de marktonderzoeksactiviteiten niet daadwerkelijk in een van de onderhavige jaren heeft laten verrichten. Dit wordt ondersteund door het feit dat de jaarrekeningen van belanghebbende voor de onderhavige jaren geen kosten (personeelskosten of anderszins) vermelden die erop kunnen wijzen dat de activiteiten daadwerkelijk zijn verricht. Belanghebbende heeft dit vermoeden met hetgeen zij heeft aangevoerd niet kunnen ontzenuwen.
5.14.3.Belanghebbende heeft verder de volgende overeenkomsten overgelegd: (i) een contract van 2 oktober 2013 waarin [B.V. 15] (een verbonden lichaam) toezegt [producten] te verkopen aan [B.V. 7] en (ii) een contract van 18 september 2013 waarin [B.V. 16] toezegt [diensten] aan [B.V. 7] te leveren. Beide contracten vloeien volgens belanghebbende voort uit het contact dat belanghebbende in 2013 heeft gezocht met [B.V. 15] en [B.V. 16] . Het Hof stelt echter vast dat de contracten niet zijn gesloten met belanghebbende, maar met haar deelneming [B.V. 7] als wederpartij. Bovendien hebben de contracten in de onderhavige jaren, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, tot en met eind 2017 niet tot verkopen of leveringen van diensten geleid. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat een verkoop van [B.V. 7] aan [B.V. 15] niet op basis van het desbetreffende contract geschiedde. Uit de gedingstukken blijkt verder dat [B.V. 15] en [B.V. 16] vóór het sluiten van de contracten in 2013 per brief informatie hebben verstrekt aan belanghebbende, ten name van één van de UBO’s (de heer [A] ). De betrokkenheid van de UBO is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat belanghebbende in verband met deze overeenkomsten substantiële activiteiten heeft verricht (zie ook 5.17 hierna).
5.14.4.Tot de gedingstukken behoort tevens een ‘Management and consulting services agreement’ tussen belanghebbende en [Onderneming 5] van 19 juli 2013. Op grond van deze overeenkomst verleent belanghebbende “management consulting services” via haar bestuurders en de UBO’s tegen een uurtarief van € 150 tot € 375. Uit de overige gedingstukken blijkt echter niet dat belanghebbende daadwerkelijk dergelijke diensten heeft verleend aan [Onderneming 5] , noch dat zij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen.
5.14.5.Met betrekking tot de kantoorruimte op Cyprus heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende ruimte huurde in een bedrijfsverzamelgebouw waar zich ‘virtual offices’ bevinden. Voor het jaar 2013 is geen huurcontract overgelegd. Vanaf 2014 beschikte belanghebbende, voor een zeer lage huur, op grond van een contract over een kantoorruimte die werd gedeeld met andere groepsmaatschappijen. De jaarrekeningen bieden geen eenduidig beeld van de huurkosten en de hierin weergegeven kosten stemmen niet overeen met de overgelegde facturen. Het Hof acht op grond hiervan niet aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren beschikte over een volwaardige kantoorruimte op Cyprus.
5.14.6.Belanghebbende heeft verder rente-inkomsten (2013 en 2014) en rentelasten en bankkosten (alle jaren) gerapporteerd. De rentebaten en -lasten in de jaren 2013 en 2014 houden verband met het in- en doorlenen van gelden. Het gaat om de lening verstrekt aan [B.V. 7] voor de aankoop van [Onderneming 5] , waarvoor belanghebbende op haar beurt heeft ingeleend van het verbonden lichaam [Inc. 12] . De lening is binnen een jaar afgelost (waarbij de aflossing afkomstig was uit dividenden die [B.V. 7] heeft ontvangen van [Onderneming 5] ). Het gaat dus om een kortlopende groepsschuld met een beperkt risico die nauw verband houdt met de verwerving van de aandelen in [Onderneming 5] ; de schuld is vrijwel geheel afgelost met dividenden afkomstig van [Onderneming 5] . Gelet op de geringe omvang van de financiële baten en lasten, het beperkte risico en de korte duur van de groepsleningen is geen sprake van een activiteit die als onderneming kan worden aangemerkt. Daar komt nog bij dat het niet met de wettelijke systematiek zou stroken om ervan uit te gaan dat met de enkele verstrekking van een geldlening aan de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden is voldaan aan de ondernemingstoets. Artikel 17a, aanhef en letter c, Wet Vpb breidt immers de buitenlandse belastingplicht van de aanmerkelijkbelanghouder juist uit tot de schuldvordering uit hoofde van een zodanige geldlening.
5.14.7.Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende in de onderhavige jaren geen onderneming dreef. Dit brengt mee dat belanghebbende niet heeft voldaan aan het vereiste dat de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van haar eigen onderneming.
Is belanghebbende een tophoudster of tussenhoudster met wezenlijke functie?
5.15.1.Belanghebbende kan ook voldoen aan de ondernemingstoets indien zij kwalificeert als houdstervennootschap die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep. Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van de kleindochtervennootschap legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedervennootschap een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft (vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 59).
5.15.2.De Inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als tophoudster omdat zij dermate weinig activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel gebied heeft verricht dat niet kan worden gesproken van een wezenlijke functie. Het Hof schaart zich hierachter en neemt daarbij in aanmerking dat de activiteiten van belanghebbende in de onderhavige jaren zeer beperkt waren, en voornamelijk het organiseren van aandeelhoudersvergaderingen en het nemen van dividendbesluiten behelsden. Belanghebbende heeft geen leningen uit de markt aangetrokken; dit gebeurde onder meer op het niveau van [Onderneming 4] . Belanghebbende is bestuurder van [B.V. 7] noch van [Onderneming 5] . Van enige bestuurlijke of beleidsvormende invloed van belanghebbende op de groep is niet gebleken (zie ook 5.17 over de rol van de UBO’s). Uit het door belanghebbende verstrekte overzicht van activiteiten verricht door de UBO’s van 2013 tot en met 2019 volgt dat de aandeelhouders op de eerste aandeelhoudersvergadering op 5 augustus 2013 een bestuursbesluit hebben goedgekeurd op grond waarvan [Onderneming 5] , teneinde deze vennootschap van advies te kunnen voorzien in verband met strategische planning en kostenbesparing, gevraagd zou worden regelmatig rapportages te verschaffen (“the operational reports, incl. on the volume of production and sales of products, reports on [producten] , etc”). De verdere correspondentie (per e-mail) over dit onderwerp verliep echter tussen [Onderneming 5] en de UBO’s zonder tussenkomst van belanghebbende. Uit het overzicht is verder op te maken dat [Onderneming 5] de gevraagde informatie rechtstreeks aan de UBO’s verstrekte. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat belanghebbende in enig jaar adviezen heeft gegeven aan [Onderneming 5] . In het licht van deze gang van zaken is het genoemde bestuursbesluit niet voldoende om bestuurlijke of beleidsvormende invloed van belanghebbende op [Onderneming 5] aan te nemen. Hetzelfde geldt voor de bestuursbesluiten aangaande een verzoek aan [Onderneming 5] om de uitbreiding van [diensten] te onderzoeken (12 december 2013) en een verzoek om een ‘analytical review of target markets’ van [Onderneming 5] voor de jaren 2010-2014 (10 november 2014). De uitkomsten hiervan zijn volgens het overzicht rechtstreeks door [Onderneming 5] met de UBO’s gedeeld. Uit de gedingstukken blijkt geen verdere bemoeienis hiermee van belanghebbende.
5.15.3.Belanghebbende heeft betoogd dat het ontbreken van een tophoudster niet aan belanghebbende kan worden tegengeworpen, nu aan de gekozen structuur beschermingsaspecten ten grondslag liggen (ingegeven door het risico van onteigening ingeval van een “traditionele” structuur met een centrale tophoudster). Dit doet echter niet af aan het voorgaande.
5.15.4.De Inspecteur heeft voorts aangevoerd dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als tussenhoudster met een schakelfunctie. Hij heeft daartoe onweersproken gesteld dat in de structuur boven belanghebbende, dus op het niveau van [Inc. 1] en [Inc. 2] geen sprake is van een materiële onderneming. De gedingstukken bevatten verder geen aanwijzingen dat [Inc. 1] en [Inc. 2] hebben opgetreden als tophoudsters, dat wil zeggen dat zij ten behoeve van de groep activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein hebben verricht. Gelet op het voorgaande vervult belanghebbende geen schakelfunctie tussen bedrijfsmatige activiteiten van een moedervennootschap en activiteiten van een kleindochtervennootschap ( [B.V. 7] ), dan wel tussen een tophoudster met een wezenlijke functie binnen de groep en [B.V. 7] .
5.15.5.Concluderend komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet een tophoudster of tussenhoudster is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep.
Houdt belanghebbende het belang in [B.V. 7] als participatiemaatschappij?
5.16.1.Tot slot moet worden nagegaan of belanghebbende het karakter van een participatiemaatschappij had. Een belangrijk criterium daarbij is of de belastingplichtige bijvoorbeeld door zitting in het dagelijks bestuur van de vennootschap waarin het belang wordt gehouden, een beleidsvormende, financiële en bestuurlijke invloed kan uitoefenen (vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 59). Van een ondernemingsactiviteit is bij een participatiemaatschappij sprake indien kapitaal enerzijds en expertise anderzijds worden samengebracht als gevolg waarvan een toegevoegde waarde wordt gecreëerd op het niveau van de vennootschap waarin wordt deelgenomen in een target (in dit geval [B.V. 7] dan wel [Onderneming 5] ). Meer concreet betekent dit dat op het niveau van de participatiemaatschappij sprake moet zijn van een organisatie die de kennis heeft om targets te selecteren en in staat is deze targets substantieel beter te laten renderen door het ondernemingsbeleid van de target mede te bepalen. Daartoe moet de belastingplichtige voldoende invloed kunnen uitoefenen op zowel het dagelijks bestuur van de target als op de langetermijnstrategie (vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 28).
5.16.2.De Inspecteur betoogt dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een participatiemaatschappij omdat op het niveau van belanghebbende geen onderneming aanwezig is. Daarnaast is op het niveau van belanghebbende geen kapitaal vanuit de markt samengebracht om voor kortere of langere termijn te investeren. Het kapitaal van belanghebbende is immers vrijwel geheel afkomstig van dividenduitkeringen uit haar deelneming. Voorts heeft belanghebbende geen zitting in het dagelijks bestuur van de deelneming en oefent zij daarin ook geen beleidsvormende, financiële of bestuurlijke invloed uit, aldus de Inspecteur.
5.16.3.Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen (zie 5.14.1 tot en met 5.14.7), moet het betoog van de Inspecteur als juist worden aanvaard. Belanghebbende drijft geen onderneming. Het lage eigen vermogen van belanghebbende wijst erop dat op dat niveau geen kapitaal vanuit de markt is samengebracht, waarbij de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de stijging van het eigen vermogen in 2016 en 2017 slechts voortkomt uit door [B.V. 7] schuldig gebleven dividenden. Voorts is van belang dat belanghebbende geen bestuurder was van [B.V. 7] of [Onderneming 5] , en dat de UBO’s geen bestuurders waren van belanghebbende of [B.V. 7] , en vanaf september 2014 evenmin van [Onderneming 5] . De gedingstukken bevatten verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat op het niveau van belanghebbende kapitaal en expertise worden samengebracht om meerwaarde te creëren in [B.V. 7] of [Onderneming 5] . Belanghebbende kan derhalve niet als participatiemaatschappij worden aangemerkt.
5.17.1.In het kader van de ondernemingstoets heeft belanghebbende nog gesteld dat activiteiten van de UBO’s aan haar moeten worden toegerekend. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij onder meer naar het overzicht van werkzaamheden van medewerkers van de groep ten behoeve van belanghebbende en [B.V. 7] in de jaren 2013 tot en met 2017 en het overzicht van activiteiten verricht door de UBO’s van 2013 tot en met 2019.
5.17.2.Het Hof acht op basis van de gedingstukken aannemelijk dat de UBO’s – al dan niet op informele wijze – een aansturende rol binnen de groep vervullen. Zij waren echter geen bestuurders van belanghebbende of [B.V. 7] . Bovendien blijkt uit niets dat belanghebbende hun diensten heeft afgenomen. Wel waren zij bestuurders van [Ltd. 6] , één van de bestuurders van belanghebbende. Uit niets blijkt echter dat zij hun aansturende rol in hun capaciteit van indirect bestuurder van belanghebbende hebben uitgeoefend, afgezien van een drietal schriftelijke besluiten van het bestuur van belanghebbende (van 5 augustus 2013 over een verzoek aan [Onderneming 5] tot het verstrekken van operationele rapportages, van 12 december 2013 over een verzoek aan [Onderneming 5] om de uitbreiding van [diensten] te onderzoeken en van 10 november 2014 over een verzoek aan [Onderneming 5] om een marktanalyse voor de jaren 2010-2014; zie ook 5.15.2). Volgens de overgelegde overzichten was één van de UBO’s (de heer [A] ) in 2016 ten behoeve van belanghebbende betrokken bij het openen van een bankrekening en heeft hij in 2016 gecommuniceerd met banken op Cyprus. Van een verdergaande betrokkenheid ten behoeve van belanghebbende is niet gebleken. Verder rijst uit het verstrekte overzicht het beeld op dat de UBO’s steeds rechtstreeks (per e-mail) communiceerden met bestuurders/vertegenwoordigers van [Onderneming 5] en [Onderneming 4] over diverse onderwerpen in relatie tot hun ondernemingen. Informatie werd desgevraagd door [Onderneming 5] rechtstreeks aan de UBO’s verstrekt en belanghebbende speelde hierbij geen rol. De bemoeienis van de UBO’s met het beleid en de onderneming van [Onderneming 5] (en haar deelnemingen) vertaalde zich op het niveau van belanghebbende niet in een formele betrokkenheid van de UBO’s in het bestuur. Ook had belanghebbende (dan wel haar bestuursleden) geen zetel in het bestuur van [B.V. 7] of [Onderneming 5] . Belanghebbende stond in de structuur dus buitenspel wat betreft de invloed op [B.V. 7] en [Onderneming 5] . Dit wordt nog eens bevestigd door het feit dat de UBO’s tot en met september 2014 slechts een formele bestuurdersrol vervulden als leden van de ‘supervisory board’ van [Onderneming 5] , die daarna is beëindigd. Het Hof ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding de door belanghebbende gestelde activiteiten van de UBO’s aan belanghebbende toe te rekenen.