Deze civiele zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia Nederland B.V. en geïntimeerde, waarbij via een tussenpersoon zonder vergunning beleggingsadvies is gegeven. De kernvraag was of Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, en daarmee onrechtmatig handelde jegens geïntimeerde.
Het hof verwijst naar de onbestreden feiten uit de eerste aanleg en concludeert dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling deed, gebaseerd op persoonlijke financiële omstandigheden van geïntimeerde. Dexia betwistte dit onvoldoende en kon geen tegenbewijs leveren. Bovendien was Dexia op de hoogte van de bedrijfsmatige werkwijze waarbij tussenpersonen op grote schaal vergunningplichtig advies gaven.
De Hoge Raad heeft in een prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 het begrip vergunningplichtig advies verduidelijkt, wat het hof toepast. Dexia's beroep op vertrouwen in toezichthouders faalt, omdat zij als professionele effecteninstelling zelf verantwoordelijk is voor controle. Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding en proceskosten. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.