Belanghebbende heeft BPM betaald voor een gebruikte Land Rover en bezwaar gemaakt tegen het bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde griffierecht. Belanghebbende stelde hoger beroep in met diverse Unierechtelijke bezwaren en vorderingen tot teruggaaf en hogere vergoedingen.
Het Hof overwoog dat nationale rechters bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen zonder verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De BPM-heffing is niet discriminerend en voldoet aan de eisen van proportionaliteit. Belanghebbende heeft de bewijslast voor vermindering van BPM niet voldaan. Het vooraf heffen van griffierecht en het niet vergoeden van rente hierover is niet in strijd met het Unierecht.
De overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt een immateriële schadevergoeding van € 1.000, maar geen hogere vergoeding. Ook is geen integrale proceskostenvergoeding toegekend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.