Deze civiele zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en geïntimeerde, waarbij de kernvraag was of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het accepteren van een overeenkomst die tot stand kwam via een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning voor advisering.
De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig handelde omdat zij behoorde te weten dat de tussenpersoon niet alleen cliënten aanbracht, maar ook persoonlijk adviseerde zonder vergunning. Dexia stelde in hoger beroep dat zij niet wist van de advisering en betwistte de concrete stellingen van geïntimeerde, die herinneringen aan gebeurtenissen van meer dan twintig jaar geleden betrof.
Het hof overwoog dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als afzetkanaal die persoonlijk advies gaven en dat Dexia onvoldoende had gedaan om te controleren of deze tussenpersonen vergunningplichtig adviseerden. De stellingen van geïntimeerde werden als voldoende gemotiveerd en aannemelijk beschouwd, terwijl Dexia onvoldoende tegenbewijs leverde.
Het hof bevestigde dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven en dat Dexia hiervan wist of behoorde te weten, waardoor Dexia onrechtmatig handelde. De grieven van Dexia werden verworpen en het bestreden vonnis werd bekrachtigd. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten.