Deze civiele zaak betreft een geschil over effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en een consument, waarbij de advisering werd gegeven door een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning. De kernvraag was of Dexia wist of behoorde te weten dat deze tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, en daarmee onrechtmatig handelde jegens de consument.
De feiten, vastgesteld door de rechtbank en onbestreden in hoger beroep, tonen aan dat de tussenpersoon AFAB persoonlijk advies gaf dat specifiek was toegesneden op de financiële situatie van de consument, zonder dat deze tussenpersoon beschikte over een vergunning. Dexia maakte gebruik van deze tussenpersonen als distributiekanaal en had moeten controleren of zij aan de vergunningvereisten voldeden.
Het hof oordeelde dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en de schade van de consument volledig moet vergoeden. Het beroep van Dexia op verjaring werd verworpen omdat de vordering tijdig was gestuit. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.