ECLI:NL:GHDHA:2025:2228
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en geen schending toezendplicht in bezwaarfase
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning te [woonplaats] die voor het belastingjaar 2022 is gewaardeerd op € 928.000 door de Heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag. Na een bezwaarprocedure en een ongegrond verklaard beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank.
Het geschil betreft de vraag of de Heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld en of hij in de bezwaarfase voldoende gegevens heeft verstrekt op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ. Belanghebbende stelde dat niet alle relevante stukken, zoals grondstaffels en KOUDV-factoren, zijn verstrekt en dat de waarde te hoog is vastgesteld.
Het Hof oordeelt dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten. De rechtbank heeft de vergelijkingsobjecten als voldoende vergelijkbaar beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld dat de gemeente Den Haag geen gebruik maakt van grondstaffels, KOUDV- en liggingsfactoren, en indexeringsgegevens, zodat deze niet verstrekt konden worden.
Het Hof bevestigt dat er geen schending is van het motiveringsbeginsel of de toezendplicht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 928.000 bevestigd.