ECLI:NL:GHDHA:2024:1806
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde parterre-portiekwoning ondanks geschil over toezendplicht en onderhoudsstaat
Belanghebbende is eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1937, waarvan de WOZ-waarde voor 2022 is vastgesteld op €480.000. De heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten en een taxatieverslag om deze waarde te onderbouwen. Belanghebbende maakte bezwaar en voerde aan dat niet alle relevante stukken waren verstrekt en dat de waarde te hoog was vanwege verouderde voorzieningen en scheurvorming.
De Rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan en dat de toezendplicht op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ was nageleefd. Het verzoek om aanvullende gegevens over onderhoudsreserves en vergelijkingsobjecten werd afgewezen omdat deze niet specifiek waren aangevraagd of niet beschikbaar waren.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze beoordeling. Het hof vond dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waarderingsmethode en dat de door belanghebbende overgelegde foto’s onvoldoende bewijs boden voor een lagere waarde. Ook werd het motiveringsbeginsel niet geschonden en werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €480.000 wordt bevestigd.