Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam over een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en cliënten via een tussenpersoon zonder vergunning. De kern is of de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven en Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.
De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig handelde door cliënten te accepteren terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig beleggingsadvies gaf zonder vergunning. Dexia werd veroordeeld tot schadevergoeding en betaling van proceskosten.
In hoger beroep bevestigt het hof deze beoordeling. Het hof verwijst naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en stelt vast dat de tussenpersoon een gepersonaliseerd, vergunningplichtig advies gaf. Dexia had dit moeten controleren en draagt het risico van het nalaten daarvan.
Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Dexia tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De schadevergoeding kan door partijen zelf worden vastgesteld aan de hand van het arrest van de Hoge Raad uit 2017 en de financiële overzichten.