Belanghebbende heeft tegen een naheffingsaanslag bpm voor zeven voertuigen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, dat ongegrond werd verklaard. De Rechtbank kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde proceskosten.
In hoger beroep betwist belanghebbende onder meer de vaststelling van de CO2-uitstoot, de historische nieuwprijs en de waardering van de handelsinkoopwaarde, met name vanwege vermeende ex-rental status en schade aan de voertuigen. Het Hof stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend door een andere meetmethode wordt veroorzaakt, mede omdat de voertuigen onder verschillende EG-typegoedkeuringen vallen.
Verder oordeelt het Hof dat voor vijf voertuigen sprake is van ex-rental status op basis van inkoopfacturen, maar niet voor de overige twee. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd voor een waardevermindering wegens schade. De historische nieuwprijzen zoals gesteld door belanghebbende worden gevolgd, maar dit leidt niet tot een lagere naheffingsaanslag.
Het Hof concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toegekend. De immateriële schadevergoeding en proceskostenveroordeling van de Rechtbank blijven ongewijzigd.