Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:2872

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/27
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 3 AWRArtikel 8 lid 4 Uitvoeringsregeling bpm 1992Art. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm na afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel en waardevermindering

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm van €6.200 ontvangen na een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die een hogere handelsinkoopwaarde vaststelde dan het oorspronkelijke taxatierapport. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de waardevermindering wegens schade hoger was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden vanwege het tijdsverloop tussen hertaxatie en naheffing.

De Rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn was opgelegd en dat schade die al was hersteld niet in aanmerking kon worden genomen. Ook was de bewijslast voor extra waardevermindering onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan die het vertrouwen konden wekken dat geen naheffing zou volgen.

In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze conclusies. Het hof stelde dat belanghebbende erkende dat het eigen taxatierapport gebreken vertoonde en dat de bewijslast voor een hogere waardevermindering op hem rustte. De foto’s en stellingen waren onvoldoende om de waardevermindering boven het door DRZ vastgestelde bedrag aan te tonen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd eveneens verworpen omdat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke vijfjaarstermijn was opgelegd en geen sprake was van misleidend gedrag door de Inspecteur.

De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd, het hoger beroep ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel en een hogere waardevermindering af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/27

Uitspraak van 17 december 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer SGR 23/8325.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.200 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 689 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Jeep Renegade 1.3T 4WD Limited (de auto). De datum van eerste toelating is 21 september 2020.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 42.035 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 20.765. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 18.655 in mindering gebracht als ‘aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’ in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 2.110. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 13.762 (CO2-uitstoot van 186 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 6.200 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 1 december 2021. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 42.030 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.971 (Xray). DRZ heeft een bedrag van € 620 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 446 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op
€ 21.525 (afschrijving van 48,79%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 13.762 (CO2-uitstoot van 186 g/km).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
Schade
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de auto die wordt vermeld in het taxatierapport al grotendeels was hersteld op het moment van hertaxatie door DRZ. Eiser stelt dat niettemin met de gestelde schade in het taxatierapport rekening moet worden gehouden nu dat taxatierapport niet ouder was dan één maand.
8. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.[1] Met schade die op dat moment al is hersteld, kan daarom geen rekening worden gehouden. Dat het rapport wel voldeed aan de formele eis dat het is opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting is verschuldigd (artikel 8, vierde lid, tweede gedachtestreepje, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021)), brengt daarin geen verandering.
9. Verder heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schade aan één van de achterlichten en een kras op het portier rechtsachter. De bewijslast te dier zake rust op eiser.[2] De door hem ter zitting overgelegde foto’s zijn onvoldoende om aan die bewijslast te voldoen. De streep op het portier kan evengoed een krijtstreep zijn, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd. De rechtbank kan uit de foto niet opmaken dat er aan dat portier meer herstel nodig is dan de door DRZ genoteerde spotrepair. In het rapport van DRZ wordt bij de achterlichtunits vermeld dat geen sprake is van schade, maar wel van vuil. Op de ter zitting overgelegde foto van het achterlicht zijn witte vlekken en lijm- of taperesten te zien. De rechtbank kan daaruit niet opmaken dat sprake is van schade.
Hoogte van de waardevermindering wegens schade
10. Eiser stelt voorts dat de schade voor 100% in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Hij voert daartoe aan dat de auto slechts
veertien maanden oud was en slechts 12.154 kilometer op de teller had. Bovendien was de schade volgens eiser omvangrijk en technisch gecompliceerd.
11. Mede gelet op het bepaalde in onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021) moet eiser – voor zover betwist – aannemelijk maken, dat de waardevermindering als gevolg van de schade aan de auto meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag. Ondanks de relatief jonge leeftijd van de auto heeft eiser, gelet op de kilometerstand van 12.154, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een auto die praktisch als een nieuw heeft te gelden waarvan kan worden verondersteld dat die hersteld zal worden naar nieuwstaat. De stelling van eiser dat sprake zou zijn van omvangrijke en technisch gecompliceerde schade, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel.
12. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat voor de heffing van bpm een raming van herstelkosten niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade hoeft weer te geven, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan (onder)delen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik – die reeds in de volgens de koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd – verdwijnen.[3]
13. Het enkele feit dat in een aantal gevallen wel 100% van de schade in aanmerking wordt genomen, betekent voorts niet dat dat in alle gevallen moet gebeuren. Dit leidt ook niet tot een schending van artikel 110 van Pro het VWEU. Dat zou slechts anders zijn als bij een soortgelijke auto die zich reeds op Nederlands grondgebied bevindt, dezelfde schade wel voor 100% in aanmerking zou zijn genomen. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit het geval is.
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft de ter zitting door verweerder ingenomen stelling dat het taxatierapport van eiser niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet, geen nadere behandeling.
Vertrouwensbeginsel
15. Eiser heeft ten slotte nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag ruim één jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd.
16. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.[4]
Slotsom
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
18. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 10 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is dan nog niet overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1.
[2] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[3] Vgl. HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822, r.o. 2.4.3 en Gerechtshof Den Haag 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1653, r.o. 5.4.5.
[4] Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de waardevermindering wegens schade op het juiste bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vertrouwensbeginsel
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, omdat ruim een jaar is verstreken tussen het moment van de hertaxatie en het opleggen van de naheffingsaanslag. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur om die reden het vertrouwen gewekt dat de door belanghebbende op aangifte voldane bpm juist is, waardoor de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
5.1.2.
Het Hof vast dat de Inspecteur de naheffingsaanslag heeft opgelegd binnen de wettelijke vijfjaarstermijn zoals bedoeld in artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het enkele tijdverloop tussen de hertaxatie en de dagtekening van de naheffingsaanslag is onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur toezeggingen of uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat de Inspecteur geen naheffingsaanslag zou opleggen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439). Het betoog van belanghebbende faalt.
Waardevermindering wegens schade
5.2.1.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende heeft erkend dat zijn eigen taxatierapport gebreken vertoont en dat om die reden geen beroep op dit taxatierapport kan worden gedaan. Het feit dat belanghebbende afstand doet van dit taxatierapport betekent niet dat hij zich niet kan beroepen op de gegevens van de hertaxatie door DRZ.
5.2.2.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte slechts € 620 aan schade aannemelijk heeft geacht (waarvan € 446 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen). Volgens belanghebbende bedraagt de schade meer dan € 620 en verwijst daarbij naar de foto’s van DRZ.
5.2.3.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering.
5.2.4.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm sprake was meer schade dan door de Inspecteur is onderkend. De enkele verwijzing naar de foto’s van DRZ is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur. De krassen zijn blijkens de foto’s ook niet van dien aard dat met meer schade rekening moet worden gehouden dan door DRZ is vastgesteld. Volgens DRZ is sprake van oppervlakkige krassen die met polijsten kunnen worden weggewerkt, met uitzondering van één plek op het rechter achterportier. Door kosten voor polijsten en spotrepair in aanmerking te nemen, heeft DRZ voldoende rekening gehouden met de geringe beschadiging van de auto. Het Hof kwalificeert de overige getoonde sporen als normale gebruikssporen. Bijkomend heeft belanghebbende ter zitting erkend dat hij geen berekening van de door hem voorgestane waardevermindering wegens schade heeft gemaakt, maar dat de schade meer bedraagt dan DRZ heeft vastgesteld. Belanghebbende voldoet ook in zoverre niet aan de op hem rustende bewijslast.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.