Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm van €6.200 ontvangen na een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die een hogere handelsinkoopwaarde vaststelde dan het oorspronkelijke taxatierapport. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de waardevermindering wegens schade hoger was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden vanwege het tijdsverloop tussen hertaxatie en naheffing.
De Rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn was opgelegd en dat schade die al was hersteld niet in aanmerking kon worden genomen. Ook was de bewijslast voor extra waardevermindering onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen waren gedaan die het vertrouwen konden wekken dat geen naheffing zou volgen.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze conclusies. Het hof stelde dat belanghebbende erkende dat het eigen taxatierapport gebreken vertoonde en dat de bewijslast voor een hogere waardevermindering op hem rustte. De foto’s en stellingen waren onvoldoende om de waardevermindering boven het door DRZ vastgestelde bedrag aan te tonen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd eveneens verworpen omdat de naheffingsaanslag binnen de wettelijke vijfjaarstermijn was opgelegd en geen sprake was van misleidend gedrag door de Inspecteur.
De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd, het hoger beroep ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.