ECLI:NL:GHDHA:2025:2876
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- P.J.J. Vonk
- T.A. de Hek
- Rechtspraak.nl
Geen procesbelang huurder bij vaststelling WOZ-waarde sociale huurwoning
Belanghebbende, huurder van een sociale huurwoning, stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat belanghebbende geen materieel procesbelang had; de WOZ-waarde werd niet gebruikt als heffingsmaatstaf voor belastingen en een verlaging zou de huurprijs niet beïnvloeden.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof dit oordeel. Het hof verwees naar arresten van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een belanghebbende bij een WOZ-beschikking in principe een belang heeft, tenzij uit de feiten blijkt dat een wijziging van de WOZ-waarde de belanghebbende niet in een gunstiger positie kan brengen. Dit laatste was hier het geval.
Belanghebbende voerde aan dat zij belang had vanwege mogelijke koopplannen, pensioeninkomsten die tot scheefwonen kunnen leiden en indirecte belangen bij gemeentelijke overlastbestrijding. Het hof oordeelde dat deze argumenten onvoldoende waren onderbouwd en dat het begrip belang niet ruimer dan financieel moest worden opgevat.
Daarmee was het bezwaar niet-ontvankelijk, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst dan de ongegrondverklaring van het beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de huurder wordt ongegrond verklaard omdat zij geen procesbelang heeft bij het aanvechten van de WOZ-waarde.