Belanghebbende is eigenaar van een woning uit 1987 op erfpachtgrond. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2022 vast op €399.000, gebaseerd op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten uit de jaren '30 op eigen grond. Belanghebbende betwistte dit en overlegde een eigen matrix met vergelijkingsobjecten uit de jaren '80 op erfpachtgrond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, omdat de gebruikte vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn vanwege bouwjaar en erfpachtsituatie. Belanghebbende maakte de door hem voorgestelde waarde ook niet aannemelijk.
Het hof stelt daarom de waarde in goede justitie vast op €385.000. Daarnaast oordeelt het hof dat de heffingsambtenaar niet in strijd heeft gehandeld met de toezendplicht en dat de gevraagde stukken zoals bouwtekeningen en iWOZ-rapporten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten en moet griffierechten vergoeden.