ECLI:NL:GHDHA:2026:15

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
200.342.086/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenlease: onrechtmatige advisering door niet-vergunde tussenpersoon en aansprakelijkheid Dexia

Deze civiele zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en geïntimeerde, tot stand gekomen via een tussenpersoon zonder de vereiste vergunning voor beleggingsadvies. Het geschil draait om de vraag of Dexia wist of behoorde te weten dat deze tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, en of Dexia daardoor onrechtmatig heeft gehandeld.

De feiten, onbestreden in hoger beroep, tonen aan dat de tussenpersoon gepersonaliseerd advies gaf, waarbij de financiële situatie en wensen van geïntimeerde werden besproken en specifieke effectenleaseproducten werden aanbevolen. Dexia betwistte haar wetenschap hierover, maar het hof oordeelde dat Dexia door haar bedrijfsmatige opzet en de aard van de samenwerking met tussenpersonen op de hoogte had moeten zijn van het vergunningplichtige advies.

Het hof verwierp het verweer van Dexia dat de tussenpersonen niet vergunningplichtig zouden zijn en dat Dexia mocht vertrouwen op het toezicht van de STE/AFM. Dexia werd veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan geïntimeerde en in de proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het inzetten van een niet-vergunde tussenpersoon en veroordeelt Dexia tot volledige schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.342.086/01
Zaaknummer rechtbank: : 10176571 EL 22-63
Arrest van 20 januari 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 29 februari 2024 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over drie effectenleaseovereenkomsten. Deze zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via de tussenpersoon [tussenpersoon] (hierna te noemen: [tussenpersoon] ). In hoger beroep is de vraag aan de orde of [geïntimeerde] ten aanzien van twee (de effectenleaseovereenkomsten [contractnummer 1] en [contractnummer 2] , hierna: de effectenleaseovereenkomsten) van deze drie overeenkomsten is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft na eiswijziging gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia, na betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 258,31, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan al haar verplichtingen heeft voldaan onder de drie effectenleaseovereenkomsten en dat [geïntimeerde] niets meer van Dexia te vorderen heeft. Dexia heeft tevens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen (i) tot betaling aan Dexia van een bedrag van € 2.655,76, te vermeerderen met de wettelijke rente, en (ii) in de proceskosten.
3.3.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.4.
De kantonrechter heeft de vordering van Dexia toegewezen onder de voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerde] vergoedt als in rov. 4.15 van het bestreden vonnis weergegeven, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in paragraaf 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van de effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “III.4 Advisering door de tussenpersoon” in zijn conclusie van antwoord . De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] kende een bij naam genoemde adviseur van [tussenpersoon] vanuit het café en van voetbal. De adviseur had al aan meerdere bekenden van [geïntimeerde] de effectenleaseproducten van Bank Labouchere (nu: Dexia) geadviseerd. De adviseur vroeg in 2000 of [geïntimeerde] ook interesse had in een financieel adviesgesprek. [geïntimeerde] was wel geïnteresseerd, waarop een afspraak is gemaakt voor een huisbezoek. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de adviseur van [tussenpersoon] geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] , om een aanzienlijk vermogen op te bouwen en een financiële reserve voor de toekomst. De adviseur heeft zijn verhaal toegelicht door [geïntimeerde] te wijzen op zijn auto, die hij met het geld verkregen uit de aandelen had kunnen kopen en op buurtgenoten die rendementen hadden behaald uit deze overeenkomsten. Door het mooie beeld dat de adviseur schetste en het feit dat [geïntimeerde] geen kennis van complexe financiële producten had, vertrouwde [geïntimeerde] op de deskundigheid van de adviseur en ging hij akkoord met het afsluiten van de effectenleaseovereenkomst met nummer [contractnummer 1] . Zodoende is deze effectenleaseovereenkomst aangegaan volgens [geïntimeerde] .
4.7.
In 2001 heeft [geïntimeerde] weer contact opgenomen met deze adviseur. Naar aanleiding van de mooie rendementen die behaald werden uit de effectenleaseovereenkomst met nummer [contractnummer 1] en de dividenden die ontvangen werden, was [geïntimeerde] opnieuw benieuwd naar zijn financiële mogelijkheden. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor een huisbezoek. Tijdens dit gesprek zijn de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde] wederom ter sprake gekomen. [geïntimeerde] had nog steeds de wens om extra vermogen op te bouwen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft dezelfde adviseur [geïntimeerde] andermaal geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] kreeg door de mooie verhalen van de adviseur het gevoel dat hij meer moest inleggen om meer geld te kunnen behalen uit de overeenkomst. Zodoende heeft [geïntimeerde] het advies wederom opgevolgd en is hij akkoord gegaan met het sluiten van de effectenleaseovereenkomst met nummer [contractnummer 2] . Onder deze feiten en omstandigheden zijn de effectenleaseovereenkomsten gesloten, aldus [geïntimeerde] .
4.8.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia voert verder aan dat de (blote) stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Zo kan uit de stukken hooguit worden afgeleid dat [tussenpersoon] betrokken is geweest als tussenpersoon, maar niet welke inhoudelijke rol zij bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten heeft vervuld. Dexia wijst er in dat verband eveneens op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Dexia betwist verder dat huisbezoeken plaats hebben gevonden. Voor zover al wordt aangenomen dat deze hebben plaatsgevonden, is het zonder meer voorstelbaar dat de medewerker van [tussenpersoon] zich tijdens deze bezoeken heeft beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen van het effectenleaseproduct, zonder daarbij te informeren naar de financiële situatie en doelen van [geïntimeerde] . Dexia benadrukt dat [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de tussenpersoon uitvraag heeft gedaan naar zijn financiële omstandigheden en doelen. In dat verband heeft [geïntimeerde] ook niet gesteld dat enige andere producten dan de uiteindelijk afgenomen effectenleaseproducten ter sprake zijn gebracht door [tussenpersoon] in haar contacten met [geïntimeerde] . Dexia is tenslotte van opvatting dat niet voorbij gegaan mag worden aan een effectenleaseovereenkomst uit 1999 ( [contractnummer 3] , die [geïntimeerde] eigener beweging is aangegaan met Dexia). Dit brengt namelijk met zich mee dat [geïntimeerde] reeds ervaring met en kennis had van effectenleaseovereenkomsten. Al met al kan niet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door een daartoe onbevoegde tussenpersoon, aldus Dexia.
4.9.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht aan personen heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.10.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, moet gezien de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] zijn besproken, (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde] , bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] éénmaal eerder en toen zonder tussenpersoon een effectenleaseproduct had aangeschaft maakt het voorgaande niet anders.
4.11.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de herinneringen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon] , met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen.
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.13.
Het verweer van Dexia dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt verworpen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.14.
Dexia heeft verder nog aangevoerd dat alle cliëntenremisiers destijds geregistreerd waren bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM), dat de STE/AFM actief contact onderhield met zowel Dexia als de cliëntenremisiers en dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de handelwijze in strijd was met de wet en zij daaraan ook het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet. Dat verweer gaat niet op. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Voor de beoordeling van haar privaatrechtelijke aansprakelijkheid is niet doorslaggevend hoe de STE/AFM destijds oordeelde over de handelwijze van tussenpersonen die voor Dexia effectenleaseovereenkomsten verkochten. Het gaat er in relatie tot [geïntimeerde] om of de handelwijze van [tussenpersoon] is aan te merken als ‘advies’ in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft in de prejudiciële beslissing.
4.15.
Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure verder heeft aangevoerd over de juridische betekenis van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing, geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wetenschap Dexia
4.16.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.17.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde productie blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat uit de verklaring van de adviseur volgt dat zijn werkzaamheden bestonden uit het allround advies geven over financiële zaken. Dat [tussenpersoon] (financieel) advies gaf, komt overigens ook tot uitdrukking in haar naam: [tussenpersoon] . Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.18.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat [tussenpersoon] adviseerde.
4.19.
Het hof gaat voorbij aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.20.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief V op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht slechts voorwaardelijk wordt toegewezen. Nu de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet onvoorwaardelijk kan worden geoordeeld dat Dexia niets meer verschuldigd is aan [geïntimeerde] en zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
4.24.
Aangezien [geïntimeerde] in het gelijk wordt gesteld, heeft hij geen belang meer bij de overlegging van de aanvraagformulieren voor de effectenleaseovereenkomsten. Het hof gaat daarom hieraan voorbij.
4.22.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen. Anders dan Dexia met grief IV aanvoert, hoeft [geïntimeerde] de openstaande restschuld dus niet aan Dexia te voldoen.
Slotsom en proceskosten
4.23.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.24.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.214,00 (1 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).