Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1863

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
200.230.827/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 6:119 lid 2 BWArt. 6:162 BWArt. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof vernietigt vonnis en veroordeelt Dexia tot schadevergoeding wegens onrechtmatige advisering effectenlease

Deze civiele procedure betreft een effectenleaseovereenkomst tussen appellante en Dexia, tot stand gekomen via de tussenpersoon Spaar Select. Appellante stelt dat zij onrechtmatig is geadviseerd door Spaar Select, die niet beschikte over de vereiste vergunning, terwijl Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.

De kantonrechter oordeelde eerder dat Dexia aan haar verplichtingen had voldaan en dat er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door Spaar Select. Het hof vernietigt dit vonnis en stelt vast dat de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter niet zijn bestreden. Het hof beoordeelt vervolgens de grieven van appellante en de verweren van Dexia.

Het hof concludeert dat Spaar Select gepersonaliseerd advies heeft gegeven, waarbij rekening is gehouden met de financiële situatie en wensen van appellante, en dat Dexia dit had moeten weten. Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij wetenschap had van deze advisering. Hierdoor heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig.

De schadevergoeding omvat de betaalde inleg minus ontvangen voordelen, vermeerderd met wettelijke rente. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en is op 19 mei 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en veroordeelt Dexia tot volledige schadevergoeding wegens onrechtmatige advisering door een niet-vergunninghoudende tussenpersoon.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.230.827/02
Zaaknummer rechtbank: : 2951181 / CV EXPL 14-2171
Arrest van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellante],
wonende in [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam,
tegen
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 21 december 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord tevens akte vermindering van eis, met producties;
  • de akte uitlating van [appellante] ;
  • de antwoordakte van Dexia;
  • de akte uitlaten jurisprudentie van [appellante] met producties;
  • de antwoordakte van Dexia met producties.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [appellante] via een tussenpersoon, Spaar Select BV (hierna: Spaar Select). In hoger beroep is aan de orde de vraag of [appellante] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [appellante] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft – zakelijk weergegeven - gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [appellante] gesloten overeenkomst met nummer [nummer] niets meer verschuldigd is aan [appellante] , althans te verklaren voor recht dat zij slechts gehouden is te voldoen een bedrag van € 3.879,43, althans hetgeen zij onder het zogenoemde hofmodel aan [appellante] verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente ad. € 3.292,17 met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.
3.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met uitzondering van haar verplichting om aan [appellante] een bedrag te betalen van € 4,82 (zijnde de wettelijke rente over een door Dexia aan [appellante] betaald bedrag), vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 lid 2 BW Pro, aan al haar overige verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan en op grond daarvan verder niets meer aan [appellante] verschuldigd is. Ook heeft de kantonrechter [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Voor zover in hoger beroep relevant heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is gebleken dat Spaar Select in strijd met artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) [appellante] is geadviseerd bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder ‘De feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft [appellante] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en het alsnog afwijzen van de vorderingen van Dexia.
4.3.
Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
verjaring
4.4.
Het beroep van Dexia op verjaring van de vordering van [appellante] gaat niet op. De vordering van [appellante] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [appellante] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. [1]
4.5.
Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [appellante] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [appellante] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief uit 2006 staat immers welke verwijten [appellante] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomst, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellante] is gegrond op artikel 6:162 BW Pro. Het feit dat [appellante] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR Pro 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR Pro 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [appellante] ook expliciet in haar stuitingsberichten vermeldde dat zij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR Pro 1999.
4.6.
De conclusie is dat [appellante] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
Juridisch kader
4.7.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellante] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [appellante] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [2]
Advisering
4.8.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [3]
4.9.
[appellante] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Advisering door Spaar Select” onder meer in het eerste processtuk van [appellante] in eerste aanleg, waarnaar zij bij memorie van grieven heeft verwezen. De stellingen van [appellante] komen, samengevat, op het volgende neer. [appellante] heeft een gesprek gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select. De medewerker had het nummer van [appellante] gekregen van een kennis van [appellante] . Daarbij is besproken dat [appellante] (extra) vermogen wenste op te bouwen, om na ongeveer vijf jaar haar eigen woning leuker en mooier te kunnen inrichten. Er is met de medewerker gesproken over haar financiële situatie en wensen. Naar aanleiding hiervan is [appellante] door de medewerker geadviseerd om een specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de medewerker geschikt voor de situatie van [appellante] . [appellante] heeft op het advies van de medewerker vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Op deze wijze is [appellante] de overeenkomst aangegaan, aldus [appellante] .
4.10.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [appellante] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [appellante] betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellante] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [appellante] . Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellante] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellante] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [appellante] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [appellante] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.11.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellante] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.12.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [appellante] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.13.
Naar het oordeel van het hof moet de door [appellante] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellante] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [appellante] , (ii) [appellante] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [appellante] heeft voorgesteld als geschikt voor [appellante] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellante] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat Spaar Select met [appellante] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellante] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.14.
Dexia heeft de door [appellante] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellante] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.
4.15.
De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [appellante] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.17.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellante] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellante] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellante] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [appellante] .
4.18.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellante] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Dexia voert thans weliswaar aan dat zij er intern vanuit ging dat werkzaamheden van de tussenpersonen beperkt waren tot de werkzaamheden die ook volgens de huidige maatstaven typisch en toegelaten waren, maar uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [appellante] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [appellante] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [appellante] advies heeft gegeven.
4.19.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Tussenconclusie
4.20.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Spaar Select [appellante] heeft geadviseerd en dat Dexia dit had behoren te weten. Dit betekent dat Dexia de schade van [appellante] volledig dient te vergoeden.
4.21.
De door [appellante] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [appellante] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen. De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [appellante] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het hofmodel heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog 1/3 deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellante] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.
4.22.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar. Grief 5, die hierop betrekking heeft, faalt, omdat niet is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden meer behelzen dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven. De daarmee gemoeide kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten die gepaard gaan met het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [appellante] en het adviseren daaromtrent, en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [appellante] te kunnen bepalen, moeten worden aangemerkt als proceskosten, waarvoor art. 237 Rv Pro geldt.
Slotsom en proceskosten
4.23.
Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van [appellante] slaagt. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. De grieven 2 tot en met 4 hoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.
4.24.
Dexia is in eerste aanleg aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. [appellante] is daarom ten onrechte in de proceskosten veroordeeld, zoals zij in grief 6 ook betoogt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
vernietigt het bestreden vonnis,
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan, nadat zij alle schade die [appellante] uit hoofde van de overeenkomst heeft geleden, heeft vergoed conform rechtsoverweging 4.21;
5.3.
veroordeelt Dexia in de proceskosten in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 180,-;
5.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 318,00 aan griffierecht, op € 97,31 aan explootkosten, op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P. Volker en H.F.P. van Gastel, en is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274.
2.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).