ECLI:NL:GHDHA:2026:2038

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/752 en BK-25/753
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14a Wet IB 2001Art. 1 EPArt. 14 EVRMArt. 64 AWRArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering navorderingsaanslagen inkomstenbelasting na toepassing APV-regeling familiestichting

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2018 en 2019, opgelegd aan de erfgenamen van een familiestichting. De stichting kwalificeert als afgezonderd particulier vermogen (APV) volgens artikel 2.14a Wet IB 2001, waardoor het vermogen wordt toegerekend aan de erfgenamen.

Na eerdere procedures bij de rechtbank en het Gerechtshof Amsterdam, en een arrest van de Hoge Raad, is de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling van onbehandelde standpunten. Belanghebbenden voerden onder meer aan dat de APV-regeling onredelijk, willekeurig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zou zijn.

Het Hof oordeelt dat de APV-regeling op stelselniveau voldoet aan het vereiste van een 'fair balance' uit het EVRM en dat geen sprake is van een individuele buitensporige last. De klachten over willekeur, détournement de pouvoir en schending van het rechtszekerheidsbeginsel worden verworpen. Ook is geen bijzondere omstandigheid aannemelijk gemaakt die toepassing van de wet in formele zin zou moeten verhinderen.

Het Hof bevestigt de ambtshalve verminderingen van de navorderingsaanslagen en belastingrente door de Inspecteur en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van belanghebbenden wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt het vonnis van de rechtbank en vermindert de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 conform de ambtshalve verminderingen, met veroordeling van de Inspecteur in proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/752 en BK-25/753
Uitspraak van 23 juni 2026
in het geding tussen:
de erven [X], te [Z] , belanghebbenden,
(gemachtigde: I.A. Koele)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordigers: […] , […] , […] )
op het hoger beroep van wijlen [X] (erflaatster) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) van 14 februari 2023, nummers HAA 20/6303 en HAA 21/163.
Procesverloop
Navorderingsaanslag 2018 (BK-25/752, HAA 20/6303)
1.1. De Inspecteur heeft aan erflaatster over het jaar 2018 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.660 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.211 (de navorderingsaanslag IB/PVV 2018). Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de Inspecteur aan erflaatster € 90 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Aanslag 2019 (BK-25/753, HAA 21/163)
1.2. De Inspecteur heeft aan erflaatster voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.909 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.278 (de aanslag IB/PVV 2019).
Beide zaken
1.3. Erflaatster is met toestemming van de Inspecteur op grond van artikel 7.1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks in beroep gekomen bij de Rechtbank. Van erflaatster is € 48 griffierecht geheven.
1.4. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.5. Erflaatster heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. Van erflaatster is € 136 griffierecht geheven.
1.6. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 mei 2024, nrs. 23/294 en 23/295, ECLI:NL:GHAMS:2024:1494, beslist:
“Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2018 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.660 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zonder inachtneming van de bij de aanslagregeling toegerekende bezittingen van de stichting van € 156.931;
- vermindert de belastingrentebeschikking tot nihil;
- vermindert de aanslag ib/pvv voor het jaar 2019 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.909 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zonder inachtneming van de bij de aanslagregeling toegerekende bezittingen van de stichting van € 146.458;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.500, en
- draagt de inspecteur op aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184 (€ 48 voor beroep en € 136 voor hoger beroep) te vergoeden.”
1.7. De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Erflaatster heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
1.8. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 september 2025, nr. 24/02647, ECLI:NL:HR:2025:1389 (het verwijzingsarrest), beslist:
“De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.”
1.9. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie naar aanleiding van het arrest in te dienen. De reactie van de Inspecteur is binnengekomen op 20 oktober 2025 en van erflaatster op 2 december 2025, waarbij zij tevens heeft gereageerd op de reactie van de Inspecteur van 20 oktober 2025. De Inspecteur heeft op 7 april 2026 een nader stuk ingediend.
1.10. Erflaatster is overleden op [datum] 2025. De procedure is voortgezet door de erfgenamen, aangeduid als belanghebbenden.
1.11. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 12 mei 2026. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbenden heeft een pleitnota met een bijlage overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
2.1.1. Op [datum] 1907 heeft [oprichter] (de oprichter) opgericht de [Stichting] (de Stichting). De oprichter is kort na het oprichten van de Stichting overleden. De Stichting is aangewezen als enig erfgenaam van de oprichter.
2.1.2. Erflaatster was de weduwe van [A] , de kleinzoon van een van de broers van de oprichter. De Stichting wordt bestuurd door één directeur (in de betrokken jaren de zoon van erflaatster: [B] ) die verantwoording verschuldigd is aan de raad van commissarissen bestaande uit (ten minste) drie leden. De directeur maakt jaarlijks de financiële bescheiden van de Stichting op ter vaststelling door de raad van commissarissen. De Stichting heeft geen publicatieplicht en publiceert haar financiële gegevens niet. Behoudens de directeur en de drie commissarissen (qualitate qua) is geen van de leden van de familie gerechtigd tot het verkrijgen van informatie omtrent de financiële gegevens van de Stichting.
2.1.3. Tot het vermogen van de Stichting behoren liquide middelen (bankrekeningen en aandelenportefeuilles) en een boerderij met landerijen in de provincie […] .
2.2. De statuten van de Stichting zijn opgenomen in de stichtingsakte van [datum] 1907 en zijn – behoudens een kleine wijziging op [datum] 1995 – tot 2018 ongewijzigd.
Het doel van de Stichting luidt tot de statutenwijziging op [datum] 2018:
“Artikel 2.
Het doel der stichting is, om de revenuen van haar kapitaal en van de kapitalen later te verkrijgen, te doen strekken tot ondersteuning van zulks behoevende leden der familie [naam] , op de wijze als nader in deze statuten is opgenomen. De ondersteuning zal geschieden door een tegemoetkoming in hun middelen van bestaan, en vooral ook door zodanige geldelijke bijdragen als kunnen strekken om de jonge familieleden in staat te stellen door studie, handel, industrie of op andere wijze een honorabel bestaan te vinden.”
Gerechtigden tot voordeel uit de Stichting zijn:
“Artikel 18
1. Gerechtigd om uit deze stichting voordeel te genieten zijn uitsluitend:
a. alle wettige afstammelingen van de ouders des stichters, wijlen de echtelieden de heer Meester [C] en Jonkvrouwe [D] , die bij onafgebroken vererving de naam [naam] dragen, zonder beperking van de graad van bloedverwantschap;
b. de overige wettige afstammelingen dier echtelieden tot de vierde graad van bloedverwantschap ingesloten;
c. de weduwen, die de naam [naam] voeren, en wier enige of laatste echtgenoot een afstammeling was zoals bedoeld onder a.
(…)”
2.3. Tot 2018 heeft de Stichting jaarlijks een financiële bijdrage van circa € 2.000 uitgekeerd aan familieleden van de oprichter in de leeftijd van 18 tot 40 jaar en een bijdrage van € 1.000 aan familieleden van de oprichter in de leeftijd van 40 jaar en ouder (de oudere familieleden). Behoevende familieleden konden daarnaast een aanvraag indienen voor extra financiële ondersteuning. Om de cohesie binnen de familie te bevorderen werden familiebijeenkomsten georganiseerd en werd een website in stand gehouden.
2.4. Vanaf 2009 heeft de Stichting bijgedragen aan onderzoeken naar [aandoening] door het doen van donaties.
2.5. De Stichting heeft blijkens de jaarrekeningen de volgende uitkeringen gedaan:
Uitkeringen aan familieleden
Donaties aan onderzoek [aandoening]
2009
onbekend
€ 30.000
2010
€ 115.275
-
2011
€ 107.950
-
2012
€ 130.100
€ 20.000
2013
€ 110.083
-
2014
€ 126.116
-
2015
€ 119.442
€ 20.000
2016
€ 149.770
-
2017
€ 154.323
-
2018
€ 94.626
-
Totaa
€ 1.107.685
€ 70.000
2.6. Op 1 januari 2018 bedroeg het vermogen van de Stichting € 8.148.046.
Wijziging statuten
2.7. Op 15 juni 2018 heeft de Stichting een verzoek tot wijziging van de statuten ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Achtergrond van het verzoek was de wens om de doelstelling van de Stichting uit te breiden en, met inachtneming van de oorspronkelijke doelstelling, deze opnieuw te formuleren vertaald naar de huidige tijdsgeest, waarbij de oorspronkelijke formulering zo veel mogelijk in stand wordt gelaten. Als gevolg daarvan is het bestrijden van [aandoening] als doel toegevoegd. Verder is verzocht de liquidatiebepaling aan te passen. Meer specifiek is de rechtbank Noord-Nederland verzocht de artikelen 3, 13 en 17 van de statuten te wijzigen.
2.8. Bij beschikking van 12 juli 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek toegewezen en de statuten gewijzigd conform het ingediende voorstel. Op [datum] 2018 is de statutenwijziging van kracht geworden. Per die datum luiden de artikelen 3 en 13 van de statuten, voor zover van belang:
“Artikel 3.
1. De stichting heeft ten doel:
a. het bevorderen en behouden van de familiale cohesie en waardigheid binnen de familie
[naam] met oog voor de sociale noden bij de diverse familieleden, in het bijzonder door:
i. het financieel ondersteunen van leden van de familie [naam] als nader omschreven in artikel 13 die Pro aangewezen zijn op de financiële hulp van anderen;
ii. het financieel ondersteunen van de jonge leden van de familie [naam] als nader omschreven in artikel 13, om hen in staat te stellen door studie, handel, industrie of op andere wijze een honorabel bestaan te vinden;
b. Het bestrijden van [aandoening] .
2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door:
a. het (doen) organiseren ven stimuleren van activiteiten die bijdragen aan de familiale cohesie en waardigheid binnen de familie [naam] , waaronder begrepen een familiedag, het in stand houden van een familiewebsite en het stimuleren van (bestuurlijke) betrokkenheid bij de stichting en het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid van de leden van de familie [naam] op het gebied van het bestrijden van [aandoening] ;
b. het doen van niet periodieke uitkeringen aan de leden van de familie [naam] als nader omschreven in artikel 13, die aangewezen zijn op de financiële hulp van anderen;
c. het doen van niet periodieke uitkeringen aan de jonge leden van de familie [naam] als nader omschreven in artikel 13 ter Pro bestrijding van kosten wegens studie en/of persoonlijke ontwikkeling;
d. het ondersteunen van onderzoek ter bestrijding van [aandoening] in de meest brede zin.”
“Artikel 13.
1. Gerechtigd om overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub Pro 1 respectievelijk 3 lid 2 sub b. en c. een financiële bijdrage van de stichting te genieten zijn:
a. alle wettige afstammelingen van de ouders van (…) [oprichter] , geboren te (…) op [datum] achttienhonderdzeventig en overleden te […] op [datum] negentienhonderdzeven (oprichter van de stichting), zijnde wijlen de echtelieden (…) Meester [C] en Jonkvrouwe [D] , die bij onafgebroken vererving de naam [naam] dragen of waarvan een van de ouders de naam [naam] draagt of droeg, zonder beperking van de graad van bloedverwantschap;
b. de overige wettige afstammelingen van de onder a. van dit artikel omschreven echtelieden tot en met de vierde graad van bloedverwantschap ingesloten;
c. de weduwen die de naam [naam] voeren en van wie de enige of laatste echtgenoot een afstammeling was als bedoeld onder a. van dit artikel.
(…)”
2.9. Na de statutenwijziging ontvangen de jongere familieleden in de leeftijd van 18 tot 38 jaar een jaarlijkse uitkering van circa € 2.000 vanuit de veronderstelling dat familieleden in deze leeftijd ondersteuning kunnen gebruiken ten behoeve van studie en gezin (in 2019 46 van de circa 130 familieleden) en kunnen behoevende familieleden daarnaast een aanvraag indienen voor (extra) financiële ondersteuning. De oudere familieleden ontvangen niet langer een jaarlijkse uitkering maar kunnen wel een aanvraag doen voor een uitkering als zij in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. Om de cohesie binnen de familie te bevorderen, worden nog steeds regelmatig familiebijeenkomsten georganiseerd en een website in stand gehouden. Voorts worden de donaties aan medisch onderzoek naar [aandoening] gecontinueerd.
2.10. In 2019 heeft de Stichting de volgende uitkeringen gedaan:
Uitkeringen aan familieleden
Donaties aan medisch onderzoek
2019
€ 111.474
€ 85.000
2.11. Het vermogen van de Stichting bedroeg op 1 januari 2019 € 7.604.305.
Overleg met de Belastingdienst
2.12. Op 6 juli 2018 heeft erflaatster de Inspecteur verzocht te bevestigen dat de Stichting kwalificeert als sociaal belang behartigende instelling (SBBI) of, indien de Inspecteur daarin niet meegaat, te bevestigen dat de leden van de familie [naam] niet worden aangemerkt als fictieve erfgenamen aan wie het vermogen van de Stichting dient te worden toegerekend op grond van artikel 2.14a, lid 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
2.13. Erflaatster heeft een stamboom van de familie [naam] overgelegd die door de Inspecteur is aangevuld met gegevens uit de basisregistratie personen. Aan de hand van deze stamboom zijn de erfgenamen bij versterf van de oprichter van de Stichting bepaald. De Inspecteur heeft verder per erfgenaam bij versterf bepaald hoeveel IB/PVV hij verschuldigd is op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 en er is gekeken naar de erfbelasting.
2.14. Partijen en de Stichting hebben een vaststellingsovereenkomst voor de belastingjaren 2014 tot en met 2018 gesloten. Daarin is onder meer vastgelegd dat een aanslag vennootschapsbelasting 2018 wordt opgelegd aan de Stichting op grond van artikel 64 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor de volgens de Inspecteur door de leden van de familie [naam] ter zake van de Stichting verschuldigde IB/PVV en erfbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018. Ook is daarin vastgelegd dat aan erflaatster een aanslag IB/PVV 2018 wordt opgelegd waarin de ter zake van het aan haar toegerekende deel van het vermogen van de Stichting verschuldigde IB/PVV is begrepen, dat partijen over de juistheid van die aanslag zullen procederen met eventueel gevolg voor de aan de Stichting opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2018. Vervolgens hebben partijen en de Stichting eenzelfde vaststellingsovereenkomst voor het belastingjaar 2019 gesloten.
(Navorderings)aanslagen
2.15. Aan de Stichting zijn conform de in de vaststellingsovereenkomsten gemaakte afspraken aanslagen vennootschapsbelasting voor 2018 en 2019 opgelegd.
2.16. Met dagtekening 10 oktober 2020 heeft de Inspecteur erflaatster de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Conform de in de vaststellingsovereenkomst voor 2014 tot en met 2018 gemaakte afspraken is daarin een bedrag van € 156.931, zijnde 1,926% (gebaseerd op de stamboom) van het vermogen van de Stichting op 1 januari 2018, aan erflaatster toegerekend in box 3.
2.17. Met dagtekening 13 november 2020 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Conform de in de vaststellingsovereenkomst voor 2019 gemaakte afspraken is daarin een bedrag van € 146.458, zijnde 1,926% (gebaseerd op de stamboom) van het vermogen van de Stichting op 1 januari 2019, aan erflaatster toegerekend in box 3.
2.18. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (het Kerstarrest) en de naar aanleiding daarvan ingevoerde wet- en regelgeving ambtshalve verminderd. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor 2018 is verminderd tot € 18.082 (bij verminderingsbeschikking gedateerd op 1 maart 2023) en voor 2019 tot € 17.506 (bij verminderingsbeschikking gedateerd op 8 februari 2023). Bij verminderingsbeschikkingen van 7 maart 2024 heeft de Inspecteur de belastbare inkomens uit sparen en beleggen verder verminderd tot respectievelijk € 16.566 (2018) en € 16.652 (2019). Daarbij is ook telkens het ingevolge de belastingrentebeschikking verschuldigde bedrag herrekend.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover na cassatie van belang – het volgende overwogen:

Strijd met algemene beginselen en Europees recht
37. Tot slot betoogt eiseres dat, in het geval dat de rechtbank eiseres niet volgt in haar standpunt dat de stichting niet is aan te merken als APV en zij geen fictief erfgenaam noch begunstigde is, de (navorderings)aanslagen desalniettemin vernietigd dienen te worden gelet op het volgende. Ten eerste is oplegging en handhaving van de (navorderings)aanslagen in strijd met een redelijke wetstoepassing nu toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 in het onderhavige geval leidt tot heffing van ib/pvv (en in geval van een overlijden tevens van erfbelasting) van individuele familieleden die geen kennis hebben van het vermogen van de stichting, met fiscale gevolgen voor hen. Bovendien leidt toepassing van de regeling tot oneindige doorwerking van de fictieve vererving, hetgeen tot principiële en praktische problemen leidt, aldus eiseres. Voorts is volgens eiseres de APV-wetgeving innerlijk tegenstrijdig en willekeurig. Dit zit hem in de tegenstrijdigheid van het zesde in samenhang met het vierde lid van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 inzake de toerekening. Verder stelt eiseres dat de APV-wetgeving in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM alsmede het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM. Eiseres beroept zich daartoe onder meer op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (het zgn. Kerstarrest), inzake de fictieve rendementsheffing en stelt voorts dat de heffing leidt tot een onredelijke en disproportionele belastingheffing die op geen enkele wijze in verband staat met inkomsten of vermogen van eiseres. Bovendien is de heffing volgens eiseres in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het evenredigheidsbeginsel, het verbod op détournement de pouvoir en willekeur en het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij beroept eiseres zich onder meer op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, inzake toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Nu geen sprake is van misbruik van de stichtingsvorm door de stichting, die enkel een sociaal en ideëel doel nastreeft, en verweerder ten onrechte slechts stelt dat sprake is van een heffingsrecht, maakt verweerder op zijn beurt misbruik van zijn bevoegdheid door eiseres te kwalificeren als (fictief) erfgenaam en begunstigde in een APV, aldus eiseres. De rechtszekerheid wordt geschonden doordat, als gevolg van het fictieve erfgenaamschap, het vermogen al wordt geacht te zijn onttrokken ten tijde van het overlijden van de oprichter van de stichting en daarmee sprake is van (materieel) terugwerkende kracht van het APV-regime, aldus eiseres.
(…)
41. Van strijd met de door eiseres genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Bij de beantwoording van de vraag of een lichaam – in het onderhavige geval de stichting – kwalificeert als APV in de zin van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 is geen sprake van een discretionaire bevoegdheid van verweerder; dat antwoord vloeit immers voort uit toetsing van de feitelijke situatie aan de omschrijving van een APV in de formele wet en hierbij komt aan verweerder geen beoordelingsvrijheid toe. Aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wordt derhalve niet toegekomen. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in bredere zin dient gezien het juridische kader zeer terughoudend plaats te vinden en leidt alleen tot buiten werking laten van het artikel indien sprake is van een bijzondere situatie waarbij het gevolg dusdanig is dat de wetgever die niet voor ogen kan hebben gehad (vergelijk 9.4.4 van de conclusie van Widdershoven en Wattel van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468). Hiervan is geen sprake, gezien het voorgaande. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat ook bij de beantwoording van de vraag of een lichaam is aan te merken als APV, verweerder niet gehouden is de toepassing te beperken tot situaties waarin daadwerkelijk sprake is van misbruik. Ook van strijd met het willekeurverbod en het verbod van détournement de pouvoir is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu ook dit betoog van eiseres uitgaat van de veronderstelling dat de APV-wetgeving alleen toepassing mag vinden indien sprake is van misbruik, of in ieder geval niet in het geval van de stichting die volgens eiseres uitsluitend een sociaal en ideëel doel heeft. Zoals hiervoor overwogen heeft de APV-wetgeving als doel een heffingslek te dichten door middel van een ‘robuuste’ regeling. Verweerder heeft op grond van de wettelijke bepalingen met juistheid vastgesteld dat de stichting is aan te merken als APV en eiseres kwalificeert als erfgenaam en begunstigde. Of sprake was van misbruik of het ontgaan van belastingheffing door de stichting speelt bij deze kwalificatie geen rol. Nu de onderhavige procedure ziet op aan eiseres opgelegde (navorderings)aanslagen over de jaren 2018 en 2019 kan niet worden gezegd dat sprake is van (materieel) terugwerkende kracht van de APV-regeling. Belastingheffing heeft immers niet eerder dan na introductie van de wetgeving plaatsgevonden. Dat het in 1907 afgezonderde vermogen met ingang van de invoering van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 wordt gekwalificeerd als APV en de vanaf dat moment is toegerekend aan de oprichter en vervolgens wordt geacht (fictief) te zijn overgegaan op diens erfgenamen leidt niet er niet toe dat sprake is van (niet-toegestane) terugwerkende kracht van de wetgeving. Niets staat eraan in de weg dat de wetgever voor de toekomst het afgezonderde vermogen (de bezittingen en schulden) anders kwalificeert dan tot dan toe het geval was, waaraan niet afdoet dat de oprichter ten tijde van het afzonderen niet had kunnen voorzien dat in de toekomst belastingheffing zou plaatsvinden over het toegerekende vermogen.
42. Tot slot wijst de rechtbank erop dat waar het de bezwaren van eiseres tegen de heffing van ib/pvv en erfbelasting bij de individuele familieleden betreft, verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eventueel de Belastingdienst op grond van artikel 64 van Pro de AWR maatwerk bij de heffing kan leveren. Daarbij wijst de rechtbank tevens op de tussen eiseres, de stichting en verweerder gesloten vaststellingsovereenkomsten waarbij is overeengekomen dat jaarlijkse heffing van de (volgens de Belastingdienst) materieel door de familieleden verschuldigde belastingen geschiedt door middel van een aan de stichting opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.”
Arrest Hoge Raad
4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2025, nr. 24/02647, ECLI:NL:HR:2025:1389 (het verwijzingsarrest) geoordeeld:

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof in het incidentele beroep in cassatie beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beoordeling van het middel in het principale beroep in cassatie

5.1
Het middel keert zich tegen het hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel van het Hof dat de APV-regeling de ‘fair-balancetoets’ in de zin van artikel 1 EP Pro, gelezen in samenhang met artikel 14 EVRM Pro, niet kan doorstaan. Het middel betoogt onder meer dat het Hof daarmee heeft miskend dat de wetgever het bestaan van zwevende vermogens, waarover geen inkomstenbelastingheffing kan plaatsvinden, heeft willen voorkomen en dat daardoor toerekening ook in gevallen als dit is gerechtvaardigd. De wetgever heeft met de APV-regeling zijn ruime beoordelingsbevoegdheid niet overschreden, aldus het middel.
5.2
Bij de beoordeling van de vraag of de APV-regeling voldoet aan het uit artikel 1 EP Pro voortvloeiende vereiste van ‘fair balance’, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met die regeling beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken, heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vraag of de wetgever gevallen die door de APV-regeling verschillend worden behandeld, voor de toepassing van artikel 14 EVRM Pro als gelijke gevallen dient aan te merken en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om ze niettemin verschillend te behandelen. Als regel dient het oordeel van de wetgever daarom te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot.[3]
5.3
De wetgever heeft met de APV-regeling, zoals neergelegd in artikel 2.14a Wet IB 2001, beoogd te voorkomen dat vermogen als gevolg van de inbreng in een APV bij geen enkele persoon in de belastingheffing zou worden betrokken en als gevolg daarvan fiscaal zou gaan ‘zweven’. Met de APV-regeling is aldus bedoeld een heffingsvacuüm te vermijden.[4] Het Hof heeft terecht aangenomen dat dit een gerechtvaardigd doel is.
5.4
Artikel 2.14a Wet IB 2001 regelt daartoe dat het afgezonderde vermogen wordt toegerekend aan degene die dat vermogen in het APV heeft ondergebracht, en dat dat vermogen na zijn overlijden wordt toegerekend aan zijn erfgenamen (en vervolgens aan hun erfgenamen, enzovoorts), behalve voor zover er begunstigden zijn die jegens dat vermogen een concreet juridisch afdwingbaar recht hebben. In dat laatste geval is er in zoverre geen sprake van zwevend vermogen, omdat die begunstigden al ter zake van hun concrete juridisch afdwingbare rechten in de belastingheffing kunnen worden betrokken.[5]
5.5
Daarbij heeft de wetgever ervoor gekozen om de APV-regeling dusdanig ruim en “robuust” op te zetten dat die regeling geldt voor uiteenlopende soorten doelvermogens, waaronder binnenlandse en buitenlandse familiestichtingen.[6] Als gevolg daarvan is voor toepassing van deze regeling niet van belang of het vermogen met een fiscaal motief is afgezonderd, en evenmin of daarbij het zicht op de feiten is belemmerd. Deze ruime opzet van de regeling sluit aan bij het – legitieme – doel van de wetgever om een heffingsvacuüm zoveel mogelijk te vermijden. Van de keuze van de wetgever voor een dergelijke opzet van de regeling, kan in dat licht niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot.
5.6
Wat betreft de toerekening van het vermogen van een APV na overlijden van de inbrenger, heeft de wetgever ervoor gekozen om aan te knopen bij erfgenaamschap, omdat deze categorie personen helder is afgebakend en niet of moeilijk valt te manipuleren.[7] Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de erfgenamen in de praktijk eigenlijk nagenoeg altijd ook de begunstigden zijn van het APV.[8] De toerekening geschiedt per erfgenaam in dezelfde verhouding als waarin de betrokkene verkrijger krachtens erfrecht is van de overleden inbrenger. De wetgever heeft bij zijn keuze voor deze regeling onder ogen gezien dat het belastbare inkomen uit het toegerekende vermogen daardoor kan afwijken van wat de erfgenaam daadwerkelijk van het APV ontvangt.[9] Een noodzakelijk gevolg daarvan is dat een verschil in behandeling tussen erfgenamen optreedt, in die zin dat erfgenamen die een in verhouding tot hun erfdeel hoog bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief laag worden belast in box 3, terwijl erfgenamen die geen of een in verhouding tot hun erfdeel laag bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief zwaar worden belast in box 3.[10]
5.7
Van deze wettelijke regeling over de toerekening van het vermogen van een APV aan erfgenamen als geheel bezien, dus op stelselniveau, kan niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft met deze regeling dus niet de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid overschreden. Daarbij is van belang (i) dat bij het – legitieme – doel van de APV-regeling om een heffingsvacuüm bij zwevende vermogens tegen te gaan, aansluit dat dergelijke vermogens aan een ander dan het APV worden toegerekend, (ii) dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge niet heeft overschreden door op de hiervoor in 5.6 vermelde gronden te kiezen voor toerekening van dat vermogen aan de erfgenamen, na het overlijden van de inbrenger, en (iii) dat de wetgever die marge evenmin heeft overschreden door in gevallen waarin er verschillende erfgenamen zijn, voor de mate van toerekening aan te sluiten bij hun erfdeel, in aanmerking nemende dat het vaststellen van het werkelijke financiële belang van erfgenamen in een APV niet goed mogelijk is vanwege het discretionaire karakter van het daarin afgezonderde vermogen, in die zin dat de begunstigden jegens dat vermogen geen concreet juridisch afdwingbaar recht hebben.[11] Verder is van belang dat, zoals is opgemerkt in de parlementaire toelichting, het alternatief om aan te knopen bij de uiteindelijke verkrijgingen door een begunstigde, tot gevolg zou hebben dat situaties van fiscaal zwevend vermogen in stand worden gelaten zolang geen vermogen wordt uitgekeerd.[12] Dat zou onverenigbaar zijn met het legitieme doel van de APV-regeling. Opmerking verdient nog dat artikel 2.14a, lid 6, Wet IB 2001 voorziet in een tegenbewijsregeling voor het geval een erfgenaam en diens partner geen begunstigde zijn van het APV en dit ook niet kunnen worden.
5.8.1
Het voorgaande brengt mee dat de heffing op basis van de APV-regeling op stelselniveau voldoet aan het uit artikel 1 EP Pro voortvloeiende vereiste van een ‘fair balance’, en als gevolg daarvan geen inbreuk maakt op deze verdragsbepaling.
5.8.2
Een inbreuk op artikel 1 EP Pro zou zich wel voordoen indien de belastingplichtige als gevolg van de APV-regeling wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Belanghebbende heeft niet gesteld dat daarvan in haar geval sprake is.
5.9
Het voorgaande brengt eveneens mee dat de door het Hof bedoelde relatieve ongelijkheid die uit de APV-regeling voortvloeit, gerechtvaardigd is en daarom niet leidt tot een door artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 EP Pro verboden discriminatie.
5.1
Met zijn hiervoor in 3.5 weergegeven oordelen over de ‘fair balance’ en het verbod van discriminatie heeft het Hof miskend wat hiervoor in 5.7 tot en met 5.9 is overwogen. Het middel slaagt daarom.

6.Slotsom

Gelet op wat hiervoor in 5.10 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de door het Hof onbehandeld gelaten standpunten van belanghebbende.
(…)
[3] Vgl. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416, rechtsoverweging 4.3.2.
[4] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 9-11.
[5] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 11-12, en nr. 9, blz. 48-49.
[6] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 9-11.
[7] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49.
[8] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 48.
[9] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49.
[10] Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 48-49, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 5-6, 30-31 en 46 en Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 15, blz. 4.
[11] Vgl. voor dit laatste Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 10-11.
[12] Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49. Vgl. ook punt 7.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.”
Geschil na verwijzing en conclusies van partijen
5.1.
Na verwijzing is in geschil of door toepassing van de APV-regeling op erflaatster in strijd is gehandeld met enig algemeen beginsel. Belanghebbenden beantwoorden de vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.
5.2.
Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en primair tot vermindering van de (navorderings)aanslagen waarbij de belastbare inkomens uit sparen en beleggen worden verminderd tot nihil en subsidiair de belastbare inkomens uit sparen en beleggen worden verminderd tot respectievelijk € 1.656 voor 2018 en € 1.665 voor 2019 (10 percent van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen zoals die luiden na de verminderingsbeschikkingen van 7 maart 2024) en meer subsidiair de belastbare inkomens uit sparen en beleggen worden verminderd tot een bedrag dat het Hof redelijk voorkomt.
5.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen overeenkomstig de door hem reeds gegeven verminderingsbeschikkingen van 7 maart 2024.
Beoordeling van het hoger beroep
Uitgangspunten na cassatie
6.1.
De Stichting is een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001 (APV). De Stichting is geen sociaal belang behartigende instelling (SBBI) en ook geen overig doelvermogen. Erflaatster was erfgenaam en begunstigde van de Stichting in de zin van evengenoemd artikel. De Hoge Raad heeft het incidenteel beroep in cassatie dat was gericht tegen de oordelen van het Gerechtshof Amsterdam dat zij kan worden aangemerkt als erfgenaam en begunstigde verworpen met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO (vgl. onderdeel 4 van het arrest).
6.2.
De APV-regeling neergelegd in artikel 2.14a Wet IB 2001 is op stelselniveau in overeenstemming met artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM (EP EVRM). De regeling zou op individueel niveau in strijd kunnen komen met artikel 1 EP Pro EVRM indien erflaatster wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Erflaatster heeft in de procedure voorafgaand aan de cassatieprocedure naar het oordeel van de Hoge Raad niet gesteld dat daarvan in haar geval sprake is (vgl. r.o. 5.8.2 van het arrest).
6.3.
Ook is naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake van een door artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 EP Pro EVRM verboden discriminatie (vgl. r.o. 5.9. van het arrest).
Verwijzingsopdracht Hoge Raad
6.4.
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor onderzoek naar de door het Gerechtshof Amsterdam onbehandeld gelaten standpunten van erflaatster (vgl. rechtsoverweging. 6 van het arrest). Tot die voor het Gerechtshof Amsterdam ingenomen standpunten behoort niet het standpunt dat voor erflaatster sprake is van een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 EP Pro EVRM. De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 5.8.2 overwogen dat erflaatster dat niet heeft gesteld. Beide overwegingen dienen in samenhang te worden gelezen. Het staat het Hof daarom na verwijzing niet vrij om buiten deze verwijzingsopdracht te treden en te beoordelen of voor erflaatster sprake was van een individuele buitensporige last.
6.5.
De door erflaatster voor het Gerechtshof Amsterdam ingenomen standpunten die dat Hof onbehandeld heeft gelaten en voor de behandeling waarvan de Hoge Raad de zaak naar dit Hof heeft verwezen, zijn:
- het beroep op een redelijke wetsuitleg,
- het beroep op strijd met het beginsel van willekeur en détournement de pouvoir,
- het beroep op strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, en
- het beroep op strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Redelijke wetsuitleg
6.6.
Voor zover belanghebbenden na cassatie met een beroep op een redelijke wetsuitleg betogen dat de APV-regeling in de onderhavige jaren niet op erflaatster van toepassing is, verwerpt het Hof deze stelling reeds omdat belanghebbenden na cassatie niet meer kunnen opkomen tegen de oordelen die de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 5.5, 5.6 en 5.7 van zijn arrest heeft gegeven. Daarin heeft de Hoge Raad de APV-regeling reeds in andere zin uitgelegd dan belanghebbenden voorstaan. Aangenomen moet worden dat de Hoge Raad daarbij alle voor de rechtsvinding relevante gezichtspunten, waaronder het leerstuk van de redelijke wetstoepassing, in ogenschouw heeft genomen. Voor zover belanghebbenden na cassatie betogen dat de APV-regeling alleen van toepassing is in misbruiksituaties berust dit standpunt op een wetsuitleg die reeds door Gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad is verworpen en kan dit standpunt na cassatie niet wederom aan de orde worden gesteld.
Verbod van willekeur en détournement de pouvoir
6.7.
Het Hof verwerpt de klachten van belanghebbenden dat de (navorderings)aanslagen willekeurig zijn opgelegd en dat de Inspecteur zijn bevoegdheid tot het opleggen daarvan heeft misbruikt. Die klachten zijn met geen enkel relevant feit onderbouwd, maar zijn uitsluitend gericht tegen de wijze waarop de Inspecteur de APV-regeling heeft uitgelegd. Nu de Hoge Raad die uitleg juist bevonden heeft, kunnen de klachten niet slagen.
Rechtszekerheidsbeginsel
6.8.
Het Hof verwerpt ook de stelling van belanghebbenden dat de (navorderings)aanslagen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn opgelegd. Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 EP Pro EVRM heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de APV-regeling
lawfulis. Dat oordeel is bestreden in het incidentele beroep in cassatie, dat door de Hoge Raad ongegrond is verklaard. Voorts overweegt het Hof dat burgers in het algemeen niet erop kunnen vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven (zie bijv. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3 en HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:488, r.o. 5.8). De belastingaanslagen zijn vastgesteld na de inwerkingtreding van de APV-regeling en, anders dan belanghebbenden stellen, is ter zake daarvan niet met terugwerkende kracht geheven. Erflaatster heeft over de door haar in het verleden vóór 2018 genoten jaarlijkse uitkeringen geen belasting hoeven te betalen. Er is geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Evenredigheidsbeginsel
6.9.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, geoordeeld, voor zover van belang:
“3.3.3 In het Harmonisatiewetarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in artikel 120 van Pro de Grondwet neergelegde toetsingsverbod met zich brengt dat de rechter wetten in formele zin niet mag toetsen aan het Statuut en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Hetzelfde geldt voor toetsing aan ander ongeschreven recht. Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling bestaat er onvoldoende aanleiding om tot een andere uitleg van het grondwettelijke toetsingsverbod te komen.
3.3.4
Wel is de rechter bevoegd een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daartoe bestaat aanleiding indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.”
6.9.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535 geoordeeld, voor zover van belang:
“5.6.2 Zowel het besluit tot naheffing van verschuldigde parkeerbelasting die niet is voldaan, als het besluit om daarbij de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten tot het wettelijke maximumbedrag in rekening te brengen, berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.”
6.9.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, geoordeeld, voor zover van belang:
“4.1.3 Het middel faalt eveneens voor zover het zich richt tegen het hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat zich hier geen bijzondere omstandigheid voordoet die niet is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook dat oordeel is juist. Anders dan waarvan het middel uitgaat, is in dit verband niet relevant (i) of de wetgever de gevolgen van de wettelijke regeling voor bepaalde groepen gevallen voldoende heeft onderzocht, en evenmin (ii) of de motivering die de wetgever voor de bestreden regeling heeft gegeven, als een toereikende rechtvaardiging voor die regeling kan worden beschouwd. Geen van beide omstandigheden kan ertoe leiden dat de toepassing van een wet in formele zin achterwege moet blijven wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht.”
6.9.4.
Belanghebbenden stellen dat in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet ten volle in de afweging van de wetgever bij de totstandkoming van artikel 2.14a Wet IB 2001 is verdisconteerd aangezien erflaatster na de statutenwijziging in de onderhavige jaren (2018 en 2019) geen recht meer heeft op een jaaruitkering (en deze ook niet meer heeft ontvangen), maar slechts in het geval zij in behoeftige omstandigheden komt te verkeren recht heeft op een uitkering, terwijl aan haar als erfgenaam van haar echtgenoot, zijnde een kleinzoon van een van de broers van de oprichter van de Stichting, een evenredig gedeelte van het vermogen uit de Stichting (1,926%) wordt toegerekend als haar vermogen in box 3 en zij niet gerechtigd is om de statuten van de Stichting te wijzigen.
6.9.5.
De Hoge Raad heeft echter geoordeeld in r.o. 5.6 van het verwijzingsarrest dat de wetgever bij zijn keuze voor de regeling onder ogen heeft gezien
“dat het belastbare inkomen uit het toegerekende vermogen dat is gebaseerd op hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen kan afwijken van wat de erfgenaam daadwerkelijk van het APV ontvangt. Een noodzakelijk gevolg daarvan is dat een verschil in behandeling tussen erfgenamen optreedt, in die zin dat erfgenamen die een in verhouding tot hun erfdeel hoog bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief laag worden belast in box 3, terwijl erfgenamen die geen of een in verhouding tot hun erfdeel laag bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief zwaar worden belast in box 3.”
Anders dan belanghebbenden stellen is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook overigens hebben belanghebbenden geen omstandigheden gesteld dan wel aannemelijk gemaakt die de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.
Belastingplicht Stichting
6.10.
Voor zover belanghebbenden klagen over de belastingplicht/-positie voor de vennootschapsbelasting van de Stichting, geldt dat deze in het kader van de onderhavige (navorderings)aanslagen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die zijn opgelegd aan erflaatster niet kan worden beoordeeld.
Vermindering box 3-inkomen
6.11.
Voor de door belanghebbenden bepleite vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen met 90% omdat slechts een familiale component van 10% tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is te rekenen, bestaat geen wettelijke grondslag. Het Hof zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, de belastingrentebeschikking en de aanslag IB/PVV 2019, zoals die door de Inspecteur ambtshalve zijn verminderd, bevestigen. Het hoger beroep is derhalve gegrond.
Belastingrente
6.12.
Tegen de heffing van belastingrente zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Het Hof zal de rentebeschikking, zoals ambtshalve verminderd door de Inspecteur, bevestigen. Bij de aanslag IB/PVV 2019 is geen belastingrente in rekening gebracht.
Proceskosten en griffierecht
7.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbenden gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken BK-25/752 en BK-25/753 aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 5.604 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank, voor het Gerechtshof Amsterdam en voor het Gerechtshof Den Haag
(1 punt beroepschrift Rechtbank (in verband met prorogatie is het doorgezonden bezwaarschrift aangemerkt als beroepschrift), 1 punt zitting Rechtbank, 1 punt hoger beroepschrift Gerechtshof Amsterdam en 1 punt zitting Gerechtshof Amsterdam, 1 punt reactie na verwijzing, 1 punt zitting Gerechtshof Den Haag) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)).
7.2.
Voorts dient aan belanghebbenden het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 48, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • bevestigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2018, de belastingrentebeschikking en de aanslag IB/PVV 2019, zoals ambtshalve verminderd door de Inspecteur;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 5.604, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbenden een bedrag van € 184 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.
De griffier De voorzitter
Y. Postema H.A.J. Kroon
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.