ECLI:NL:GHDHA:2026:2059

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/544
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUBijlage II, deel B, Richtlijn 2007/46/EGArtikel 9, lid 13, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielenArtikel 6a Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm wegens niet-identieke essentiële voertuigonderdelen en onvoldoende bewijs waardevermindering

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen van € 11.973 na registratie van een gebruikte Mercedes-Benz GLE-klasse Coupé 400 4MATIC. De Inspecteur baseerde de naheffing op een rapport waarin de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde hoger werden vastgesteld dan in het taxatierapport van belanghebbende. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de waardevermindering wegens schade volledig in mindering moest worden gebracht en dat de CO2-uitstoot onjuist was vastgesteld.

De Rechtbank wees het beroep af, kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Staat en de Inspecteur tot proceskostenvergoeding. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de afwijzing van het beroep en de vaststelling van de naheffingsaanslag.

Het Hof oordeelt dat voor toepassing van artikel 110 VWEU Pro voertuigen gelijksoortig zijn indien zij op essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen. De auto van belanghebbende wijkt op meerdere essentiële punten af van de referentievoertuigen en heeft een andere EG-typegoedkeuring. Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Ook is onvoldoende bewijs geleverd dat de waardevermindering wegens schade hoger is dan 72%. Het beroep faalt en het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en wijst het hoger beroep van belanghebbende af wegens onvoldoende bewijs van gelijksoortigheid en waardevermindering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/544

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 juni 2025, nummer SGR 23/7932.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.973 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 1 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank verklaart:
- het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€ 1.323,53;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 176,47;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;
- draagt verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiser te vergoeden, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) het door eiser betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 27 augustus 2026 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 4.278 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz GLE-klasse Coupé 400 4MATIC (de auto). De datum van eerste toelating is 18 april 2019.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 113.781 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 57.371. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 46.871 in mindering gebracht als “aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten” in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 10.500. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 46.402 (CO2-uitstoot van 266 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 11.973 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 25 augustus 2020. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 138.519 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 61.122 (Xray (Marge)). DRZ heeft schade ten bedrage van € 14.192 aannemelijk geacht, waarvan € 10.218 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 50.904 (afschrijving van 63,26%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 46.402 (CO2-uitstoot van 266 g/km). De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 797 toegepast.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Waardevermindering wegens schade
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat in afwijking van het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ een percentage van 100 van het door DRZ vastgestelde schadebedrag in aanmerking genomen moet worden.
10. Op grond van onderdeel 3.5 van bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 moet eiseres – voor zover betwist – aannemelijk maken, dat de waardevermindering als gevolg van de schade aan de auto meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag.[1] Het enkel verwijzen naar de leeftijd, de kilometerstand en de exclusiviteit van de auto is daarvoor onvoldoende. De auto kan, mede gezien de historische nieuwprijs, weliswaar als tamelijk exclusief worden beschouwd, maar ten tijde van de aangifte was deze een jaar oud en stond er 9.486 kilometer op de teller. Gelet hierop heeft eiser met de enkele stelling dat 100% van de schadecalculatie in aanmerking moet worden genomen niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een auto die praktisch als nieuw heeft te gelden en waarvan kan worden verondersteld dat die hersteld zal worden naar nieuwstaat. Het enkele feit dat het voor kan komen dat er 100% van de schade in aanmerking wordt genomen, betekent niet dat het in alle gevallen moet gebeuren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van de auto meer Bpm wordt geheven dan van vergelijkbare binnenlandse voertuigen. Eiser heeft slechts gesteld dat de jonge leeftijd (24 maanden), de exclusiviteit en de kilometerstand (10.487) van de auto hiertoe aanleiding geven zonder dit, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, op enige wijze te onderbouwen. Eiser voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast.
11. Eiser heeft zich beroepen op een brief van Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit aan de Belastingdienst van 17 oktober 2014 en de bijlage daarbij. Uit de bijlage volgt dat in 1% van de schadegevallen de schade voor 100% in aanmerking wordt genomen. Eiser stelt dat de auto onder deze categorie valt, gelet op de kenmerken daarvan (leeftijd, segment en aantal gereden kilometers). De rechtbank verwerpt deze stelling bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing. Het enkele poneren van een stelling is onvoldoende. Uit de brief en de grafiek in de bijlage daarbij, kan niet worden afgeleid welke objectieve kenmerken een rol spelen bij de beoordeling in hoeverre schade waardeverminderend is. De rechtbank kan niet beoordelen of een schade-expert ook voor de auto, gelet op diens kenmerken en eigenschappen, tot de conclusie zou komen dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt. Eiser stelt verder dat uit deze brief en bijlage voortvloeit dat schade gelet op artikel 110 VWEU Pro voor 100% in aanmerking moet worden genomen, omdat een Unierechtelijke uitleg dwingt tot de meest gunstige behandeling van de auto. De rechtbank verwerpt ook deze stelling. Het Unierecht leidt er niet toe dat de objectieve kenmerken van de auto geen rol meer spelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de auto vergelijkbare voertuigen onder de door eiser aangewezen categorie in de grafiek vallen.
WLTP-NEDC
12. Eiser stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU.
13. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van Pro het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.[2]
14. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland[3] en gesteld dat de essentiële kenmerken van de in de tabel opgenomen vergelijkbare voertuigen gelijk zijn. De gemachtigde heeft evenwel ter zitting ook aangegeven dat er verschillen zijn tussen de auto van eiser en de in de tabel opgenomen vergelijkbare voertuigen en dat hij niet kan achterhalen welke verschillen dat zijn. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan de bewijslast heeft voldaan nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Nederland in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Aldus is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een schending van artikel 110 VWEU Pro.
15. Eiser heeft subsidiair gesteld dat de CO2-uitstoot op basis van onderzoek door TNO dient te worden vermindert met 1 gram voor benzineauto’s en 7 gram voor dieselauto’s. Ook voor het onderzoek door TNO geldt dat een dergelijk algemeen onderzoek niet kan worden toegepast op de onderhavige voertuigen. De rechtbank ziet dus ook in dat onderzoek geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot.
Vertrouwensbeginsel
16. Eiser stelt voorts dat hij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk.[4]
De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiser zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiser kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.[5]
Immateriële schadevergoeding
17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 1 februari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 18 juni 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, 1 jaar en vijf maanden.
18. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Hierbij zij nog opgemerkt dat in deze zaak het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024[6] van toepassing is. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 27 oktober 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar.
Proceskostenvergoeding
19. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[7] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25). Verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dienen ieder de helft van dit bedrag te vergoeden.[8]
20. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[9] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te laten vergoeden. Verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dienen ieder de helft van dit bedrag te vergoeden.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2019:1084, overweging 3.2.
[2] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
[4] Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1401, p. 2; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 46, p. 1; Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 5, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 48, p. 42; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 56, p. 45.
[5] Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.
[6] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
[7] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[8] ECLI:NL:HR:2016:252: r.o. 3.14.2.
[9] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de Inspecteur is uitgegaan van de juiste CO₂-uitstoot en of de waardevermindering wegens schade op het juiste bedrag is vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en:
  • primair tot vaststelling van de (historische) bruto bpm op € 31.953, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 46.930, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 10.320 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 6.042;
  • subsidiair tot vaststelling van de (historische) bruto bpm op € 31.953, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 50.904, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 11.194 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 6.916;
  • meer subsidiair tot vaststelling van de (historische) bruto bpm op € 46.402, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 46.930, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 14.987 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 10.709.
Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten voor alle fasen van het geding, waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

CO2-uitstoot
5.1.1.
Belanghebbende stelt primair dat hem, gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653 (de prejudiciële beslissing) een beroep toekomt op een NEDC1-uitstoot van 204 g/km, die voor de door hem aangedragen referentievoertuigen geldt, en de daarbij horende bruto bpm. Belanghebbende bepleit dat de prejudiciële beslissing zo moet worden uitgelegd dat als een auto op openbaar verifieerbare essentiële punten gelijk is aan een referentievoertuig, het beroep op artikel 110 VWEU Pro moet slagen. Belanghebbende heeft een overzicht met technische gegevens van de auto en van referentievoertuigen overgelegd. Uit dit overzicht volgt volgens belanghebbende dat de auto en de referentievoertuigen gelijksoortig zijn ten aanzien van de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG. Het feit dat de auto en de referentievoertuigen een ander volgnummer (de auto: *26 en de referentievoertuigen: *23) van de EG-typegoedkeuring hebben, doet niet af aan de gelijksoortigheid, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2046. Belanghebbende vult in dit opzicht aan dat een verschil in/wijziging van de EG-typegoedkeuring allerlei oorzaken kan hebben, die niet alle leiden tot een verschil in de uitstoot van de auto. Belanghebbende concludeert dat hierdoor technisch identieke auto’s op papier een verschillende uitstoot hebben en dus een verschillende bpm-druk. Dit is, aldus belanghebbende, in strijd met artikel 110 VWEU Pro.
5.1.2.
De Inspecteur stelt zich onder verwijzing naar prejudiciële beslissing op het standpunt dat alleen sprake is van gelijksoortigheid als de referentievoertuigen technisch identiek zijn aan de auto op de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG en als zij beschikken over dezelfde EG-typegoedkeuring. De auto heeft geen gelijke, en zelfs een niet (direct) opvolgende, EG-typegoedkeuring ten opzichte van de referentievoertuigen. Voorts verschilt de auto, aldus de Inspecteur, van de referentievoertuigen op het punt van de variant, uitvoering, technisch toelaatbare massa, geluidsniveau, uitlaatemissieniveau, spoorbreedte, modelcode, design- en uitrustingslijn en overige voertuig specifieke opties. Belanghebbende is volgens de Inspecteur daarmee niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
5.1.3.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU Pro komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.
5.1.4.
De heffing van bpm is erop gebaseerd dat naarmate een personenauto per kilometer meer CO2 uitstoot, meer bpm verschuldigd wordt. De CO2-uitstoot per kilometer is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 per kilometer uitstoot. Met ingang van 1 september 2017 wordt de CO2-uitstoot van op de Europese markt gebrachte auto’s bepaald volgens de WLTP-methode. Tot die datum werd de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Er is sprake van een overgangsfase. Tot 1 juli 2020 vond na meting op basis van de WLTP-methode omrekening plaats naar de NEDC-waarde. Dit hield kort gezegd verband met het feit dat fabrikanten enige tijd in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe EG-typegoedkeuringen aan te vragen en desgewenst hun auto’s aan te passen. Ten onderscheid wordt de waarde die voortvloeit uit de toepassing van de NEDC-methode wel NEDC1 genoemd en de waarde die voortvloeit uit de omrekening van de WLTP-waarde naar de NEDC-waarde NEDC2. Op grond van de restantvoorraadregeling mochten bestaande voorraadmodellen die gefabriceerd waren vóór 1 juni 2018 en die al waren voorzien van een CO2-uitstoot op basis van de NEDC-methode, tot 1 september 2019 geregistreerd worden op basis van die reeds vastgestelde CO2-uitstoot.
5.1.5.
In de prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad onder meer als volgt geantwoord op prejudiciële vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant:
“5.6.6. De situatie in de onderhavige zaak, waarop de prejudiciële vragen zien, verschilt van de situatie waarop het arrest van 3 april 2020 betrekking heeft. Als gevolg van Unierechtelijke en nationale overgangsmaatregelen is namelijk voor de heffing van bpm niet uitgesloten dat het op grond van artikel 9, lid 13, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 6a, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling voorgeschreven bewijsmiddel van de omvang van de CO2-uitstoot voor personenauto’s van eenzelfde voertuigtype als hiervoor in 5.1.1 omschreven (hierna ook: model) een verschillende vastgestelde CO2-uitstoot weergeeft en dat vaststaat dat dit verschil uitsluitend is terug te voeren op het gebruik van een verschillende meetmethode (de NEDC-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode).
(…)
5.9.2.
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
(…)
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
5.1.6.
Het Hof leidt uit de prejudiciële beslissing af dat personenauto’s als gelijksoortig moeten worden beschouwd indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen.
5.1.7.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep een overzicht aangeleverd waarin de auto en de referentievoertuigen op de essentiële punten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad (bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG) zijn vergeleken. Gelijk de Inspecteur terecht en gemotiveerd heeft gesteld, kunnen de auto en de door belanghebbende aangedragen referentievoertuigen niet als gelijksoortig worden beschouwd, alleen al omdat zij niet op alle in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.
5.1.8.
Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd het tegendeel hiervan niet aannemelijk gemaakt. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, zijn de door de Inspecteur aangehaalde kenmerken (en dus de daarbij voorkomende verschillen) wel degelijk relevant. Uit het door belanghebbende overgelegde overzicht met referentievoertuigen is af te leiden dat onder meer de variant, uitvoering, modelcode, spoorbreedte, massa ledig voertuig, technisch toelaatbare massa en het geluidsniveau van de auto en de referentievoertuigen niet overeenkomen. Voor wat betreft de modelcode valt uit de foto’s af te leiden dat de auto een coupémodel betreft, terwijl de referentievoertuigen dat niet zijn. Dit onderschrijft de conclusie dat voertuigen met een EG-typegoedkeuring met een ander volgnummer wel op de voormelde essentiële punten kunnen afwijken, nog daargelaten dat meerdere (verschillende) voertuigen van eenzelfde autofabrikant onder eenzelfde EG-typegoedkeuring kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. Aan de stellingname van belanghebbende ten aanzien van de EG-typegoedkeuring en afwijkende volgnummers komt het Hof om die reden niet toe. Hetzelfde geldt voor belanghebbendes stelling dat hij in een onmogelijke bewijspositie komt doordat hij geen nadere informatie ter zake van de EG-typegoedkeuringen van de referentievoertuigen kan verkrijgen.
5.1.9.
Bijkomend heeft de Inspecteur gesteld dat de twee door belanghebbende aangevoerde referentievoertuigen eveneens in Nederland zijn ingevoerd, hetgeen niet door belanghebbende is weersproken. Deze voertuigen kunnen om die reden niet als referentievoertuig dienen.
5.1.10.
Gelet op het voorgaande faalt belanghebbendes stelling. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het Hof geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de aanvullende prejudiciële vragen van gerechtshof Amsterdam.
Percentage schade-aftrek
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat het bedrag aan schade dat de Inspecteur aannemelijk heeft geacht (€ 14.192) niet voor 72%, maar volledig in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht.
5.2.2.
Belanghebbende voert daarvoor aan dat de auto tot het exclusieve segment behoort, slechts vijftien maanden oud is en slechts 9.847 kilometer heeft gereden. Bovendien was de schade omvangrijk en technisch gecompliceerd, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende voorts naar een brief en de bijbehorende bijlage van 17 oktober 2014 van Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) aan de Belastingdienst en het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273.
5.2.3.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.2.4.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat schade niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Hetgeen belanghebbende daarvoor heeft aangevoerd, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het Hof om een dergelijke vermindering te rechtvaardigen. Dat de auto jong en exclusief is, is onvoldoende. Deze stelling is te algemeen om te oordelen dat het aannemelijk is dat de kosten van het herstel van de auto niet mede zien op het herstel van onderdelen met louter beschadigingen als gevolg van normaal gebruik. Daarbij overweegt het Hof dat uit de bijlage van de brief van de VbV volgt dat in 1% van de schadegevallen de schade voor 100% in aanmerking wordt genomen. Uit de brief en de grafiek in de bijlage daarbij, kan niet worden afgeleid welke objectieve kenmerken een rol spelen bij de beoordeling in hoeverre schade waarde verminderend is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schade-expert ook tot de conclusie zou komen dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt. Het Hof komt op dit punt tot dezelfde conclusie als de Rechtbank (r.o. 11). Hetgeen de Rechtbank overigens op dit punt in r.o. 11 heeft overwogen, neemt het Hof over. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door een percentage van 72 toe te passen.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.