ECLI:NL:GHDHA:2026:2131

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
200.350.748/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 3.12 CAO Koninklijke Horeca NederlandArbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling van gewerkte maar niet betaalde overuren afgewezen wegens niet tijdig klagen

De werknemer was van 2011 tot 2018 in dienst bij La Bastille XL en vorderde betaling van niet uitbetaalde overuren, voornamelijk na sluitingstijd. De arbeidsovereenkomst viel onder de CAO Koninklijke Horeca Nederland, waarin overwerk in principe in vrije tijd wordt gecompenseerd.

De kantonrechter en het hof Amsterdam wezen de vordering af omdat de werknemer niet tijdig had geklaagd over het uitblijven van betaling, zoals vereist in artikel 6:89 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof Amsterdam onvoldoende rekening had gehouden met omstandigheden zoals herhaalde klachten, intimidatie en het ontbreken van arbeidstijdregistratie.

Na verwijzing beoordeelde het hof Den Haag opnieuw en kwam tot dezelfde conclusie. Hoewel de werknemer en collega’s herhaaldelijk klaagden, kon niet worden aangenomen dat er vóór november 2018 tijdig en concreet was geklaagd over de specifieke overuren. Het late protesteren benadeelde de werkgever in zijn mogelijkheden om de situatie te corrigeren. De vordering werd daarom afgewezen en de werknemer veroordeeld in de proceskosten na verwijzing.

Uitkomst: Vordering tot betaling van overuren afgewezen wegens niet tijdig klagen volgens artikel 6:89 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
zaaknummer gerechtshof Den Haag: 200.350.748/01
zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 23/00993
zaaknummer gerechtshof Amsterdam: 200.284.503/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 8159036 CV EXPL 19-23781
arrest van 7 juli 2026
inzake
[appellant],
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
appellant in principaal beroep,
verweerder in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,
advocaat: mr. M.W.M. Heijlaerts, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
THE BUNNY BUNNY BAR B.V.t.h.o.d.n.
CAFÉ LA BASTILLE XLof
CAFÉ LA BASTILLE THORBECKEPLEIN,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in principaal beroep,
appellante in (voorwaardelijk) incidenteel beroep,
advocaat: mr. K. Aupers, kantoorhoudende te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

Vervolg van HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278 over de klachtplicht ex art. 6:89 BW Pro. Werknemer vordert betaling van gewerkte, maar niet betaalde overuren. De vordering is door het hof Amsterdam afgewezen op de grond dat werknemer niet heeft voldaan aan zijn klachtplicht. Na cassatie en verwijzing komt het hof Den Haag tot dezelfde uitkomst.

2.Het geding in hoger beroep na verwijzing

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en La Bastille XL genoemd.
In deze zaak heeft de Hoge Raad een arrest uitgesproken op 20 september 2024. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad.
Het verloop van de procedure na verwijzing van het geding naar dit hof, blijkt uit de volgende stukken:
  • memorie na verwijzing (met producties) van [appellant] ,
  • memorie van antwoord na verwijzing (met producties) van La Bastille XL,
  • akte uitlaten producties (met producties) van [appellant] ,
  • antwoordakte van La Bastille XL.

3.Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
[appellant] is in 2011 in dienst getreden bij La Bastille XL in de functie van medewerker cafébedrijf, tegen een uurloon van € 12,-- bruto. Hij is tot 11 juni 2018 in dienst geweest.
3.2.
In november 2018 heeft (de gemachtigde van) [appellant] aan La Bastille XL onder meer bericht dat van de werknemer werd verwacht dat hij na sluitingstijd minstens een uur langer werkte om op te ruimen, terwijl die uren ten onrechte niet zijn uitbetaald. In verband daarmee is namens [appellant] aanspraak gemaakt op een nabetaling met wettelijke verhoging.
3.3.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Koninklijke Horeca Nederland (hierna: de cao) van toepassing. In art. 3.12 van de cao is het volgende bepaald:
Vergoeding overwerk
1. Overwerk wordt vergoed in de vorm van vrije tijd. Voor 1 uur overwerk krijg je 1 uur vrije tijd. Aan het eind van het kalenderjaar wordt berekend of je overuren hebt gemaakt. Eventuele overuren dienen uiterlijk in de daarop volgende 13 weken gecompenseerd te worden.
2. Als het niet mogelijk is om alle overuren binnen de periode van 13 weken te compenseren in vrije tijd, moeten de nog resterende overuren binnen 4 weken na de 13 weken worden uitbetaald. (…)

4.Beoordeling

4.1.
In haar laatste processtuk na verwijzing heeft La Bastille XL aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat [appellant] (anders dan [appellant andere procedure] ) in dienst is geweest van Café La Bastille B.V. en uitsluitend deze vennootschap de wederpartij is van [appellant] .
4.2.
Het hof verwerpt dit beroep op niet-ontvankelijkheid. In eerste aanleg heeft [appellant] een groot aantal gedaagden gedagvaard, daaronder begrepen Café La Bastille B.V. en La Bastille XL. De kantonrechter heeft onder het kopje “Formele werkgever” geoordeeld dat alleen Café La Bastille B.V. als werkgever van [appellant] wordt beschouwd. Het door beide partijen van het vonnis van de kantonrechter ingestelde hoger beroep is, in overeenstemming met dat oordeel van de kantonrechter, gericht tegen Café La Bastille B.V. Niettemin zijn de arresten van het hof Amsterdam uitgesproken tussen [appellant] en La Bastille XL. In cassatie is aan deze partijkwestie geen aandacht besteed. Dat brengt mee dat, als in cassatie niet bestreden, na verwijzing moet worden aangenomen dat tussen La Bastille XL en [appellant] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en dat, in elk geval, het beroep op niet-ontvankelijkheid geen succes heeft. Vooruitlopend hierop heeft het hof hiervoor onder 3.1 en 3.2 La Bastille XL en niet Café La Bastille B.V. vermeld. Het hof voegt hieraan toe dat deze partijkwestie niet van belang is voor de inhoudelijke beoordeling van de wederzijdse stellingen. Het betekent slechts dat La Bastille XL de onderhavige uitspraak tegen zich zal moeten laten gelden en dat [appellant] gehouden zal zijn de ter uitvoering van dit arrest verschuldigde proceskosten te voldoen aan La Bastille XL.
4.3.
Bij memorie na verwijzing heeft [appellant] zijn vordering, samengevat, als volgt geformuleerd:
  • i) veroordeling van La Bastille XL tot betaling aan hem van € 5.132,61 met wettelijke verhoging en wettelijke rente,
  • ii) veroordeling van La Bastille XL tot het doen van mededeling aan Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Horeca van deze nabetaling en tot voldoening van de verschuldigde pensioenpremie over deze nabetaling aan het pensioenfonds,
  • iii) veroordeling van La Bastille XL in de proceskosten van beide instanties.
4.4.
Het genoemde bedrag van € 5.132,61 bestaat uit de volgende onderdelen:
€ 4.896,10 wegens onbetaalde overuren,
€ 236,51 wegens feestdagentoeslag.
4.5.
Het hof zal eerst de vordering van [appellant] wegens overuren bespreken.
4.6.
In eerste aanleg heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen op de grond dat [appellant] onvoldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten.
4.7.
Ook het hof Amsterdam heeft deze vordering afgewezen, kort gezegd op de grond dat [appellant] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd dat betaling van gewerkte overuren uitbleef (artikel 6:89 BW Pro). Voor de overwegingen van het hof Amsterdam verwijst het hof naar het tussenarrest van dat hof van 5 april 2022 onder 3.9 t/m 3.9.6. [1]
4.8.
De Hoge Raad heeft overwogen dat een aantal in zijn arrest genoemde, door [appellant] aangevoerde, omstandigheden van belang zijn voor het antwoord op de vraag wat in dit geval van [appellant] uit hoofde van artikel 6:89 BW Pro kon worden verlangd en of hij daaraan heeft voldaan. Het hof had deze omstandigheden daarom kenbaar in zijn beoordeling moeten betrekken. Door dat niet te doen, geeft het oordeel van het hof hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het arrest. De omstandigheden waar het hier om gaat, zijn de volgende:
dat [appellant] en enkele collega's tijdens hun dienstverband al jaren, herhaaldelijk, hebben geklaagd over het overwerk, maar dat zij geen luisterend oor vonden bij La Bastille XL, die dat niet wilde betalen omdat zij dit afdeed als een nazit, wat er gewoon bij zou horen, of onder verwijzing naar de bonusregeling, waarmee de overuren zouden zijn gecompenseerd;
dat het balletje pas goed is gaan rollen toen een collega van [appellant] – die een voortrekkersrol vervulde – in juli 2017 ziek werd, zich (noodgedwongen) met behulp van de FNV is gaan verdiepen in zijn rechten en een vuist heeft gemaakt met [appellant] en andere collega's, die in hetzelfde schuitje zaten;
dat van [appellant] en zijn andere collega's, die in ditzelfde schuitje zaten niet kon worden verwacht dat zij maandelijks ageerden tegen het vermoeden dat de cao wordt overtreden, omdat zij daarmee hun arbeidsrelatie op het spel zetten;
dat het gelet op de intimiderende houding die La Bastille XL zich aanmat, logisch is dat de collega die de voortrekkersrol vervulde pas in 2017 heeft doorgepakt met het instellen van een loonvordering;
dat La Bastille XL, bovendien, de diensttijden niet heeft geregistreerd, terwijl zij daartoe op grond van de cao en de Arbeidstijdenwet verplicht was, en zij – als zij dat wel had gedaan – de vordering van [appellant] in verband met de overuren zelfstandig had kunnen beoordelen;
dat de toenmalige gemachtigde van de collega die de voortrekkersrol vervulde, (reeds) bij brief van 19 april 2018 La Bastille XL heeft aangeschreven (waarna de toenmalige gemachtigde van [appellant] en de collega's die in hetzelfde schuitje zaten La Bastille XL op 19 november 2018 nogmaals hebben aangeschreven).
De Hoge Raad heeft dit een en ander geoordeeld tegen de achtergrond van de volgende overweging onder 3.1 van zijn arrest:
Bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in art. 6:89 BW Pro besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in art. 6:89 BW Pro vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.
4.9.
Het hof zal het beroep van La Bastille XL op het bepaalde in artikel 6:89 BW Pro opnieuw beoordelen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad, in het bijzonder de hiervoor onder 4.8 weergegeven overweging.
4.10.
Ook na een nieuwe beoordeling na verwijzing komt het hof tot dezelfde uitkomst als het hof Amsterdam vóór verwijzing. De hiervoor onder 4.8 genoemde omstandigheden (i) t/m (vi) voeren het hof namelijk niet tot een andere uitkomst. Het hof zal dat hierna toelichten.
4.11.
Op de loonstroken van [appellant] over de relevante periode zijn overuren vermeld en deze zijn ook betaald. [appellant] stelt zich op het standpunt dat een aanzienlijk deel van de door hem gewerkte overuren in deze periode echter niet op de loonstroken zijn vermeld en niet zijn betaald. Volgens [appellant] zijn deze overuren voornamelijk gewerkt na sluitingstijd omdat hij per dienst na sluitingstijd gemiddeld 1,5 uur heeft gewerkt. De overuren zijn volgens [appellant] gewerkt vanaf de aanvang van zijn dienstverband in 2011 tot het einde van het dienstverband op 11 juni 2018.
4.12.
La Bastille XL voert hiertegen het volgende, ontleend aan het arrest van het hof Amsterdam van 5 april 2022 onder 3.9.3, aan. Voor zover [appellant] al na sluitingstijd aanwezig is geweest, was dit vrijwillig. Na een kwartier na sluitingstijd verrichtte [appellant] geen werkzaamheden meer ten behoeve van La Bastille XL. Wat wel gebeurde, was dat [appellant] met collega’s nableef om nog wat te drinken, wat La Bastille XL toestond. De afrondende werkzaamheden konden ook tijdens de laatste openingsuren worden verricht omdat de piekdrukte dan voorbij was. Die afrondende werkzaamheden betroffen slechts het opruimen van wat flessen en andere zaken en soms het aanvegen van de vloer. Voor het dagelijkse schoonmaakwerk was een schoonmaker in dienst.
4.13.
Als meest verstrekkend verweer op het punt van de overuren heeft La Bastille XL echter gesteld dat [appellant] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd dat betaling van gewerkte uren uitbleef.
4.14.
Voor de beoordeling van dit laatste verweer wegen ook na verwijzing de volgende omstandigheden zwaar. Het hof Amsterdam heeft deze omstandigheden vastgesteld en deze zijn in cassatie onbestreden gebleven. Er is geen sprake van een situatie waarin [appellant] er pas later achter kwam dat hij op grond van de cao recht had op compensatie voor overuren. [appellant] wist dat hij aanspraak had op compensatie van of betaling van overuren, omdat hij maandelijks op zijn loonstrook kon zien dat er overuren werden betaald. De gestelde overuren waarvan [appellant] thans betaling verlangt, betreffen geen incidentele uren (waarbij het uitblijven van betaling over het hoofd gezien zou kunnen zijn), maar structurele uren met steeds dezelfde bron: het werken na sluitingstijd.
4.15.
Uit deze omstandigheden volgt dat [appellant] al spoedig na zijn indiensttreding heeft ontdekt of had behoren te ontdekken dat niet alle door hem gestelde overuren werden uitbetaald.
4.16.
Tegenover het verweer van La Bastille XL dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd, dient [appellant] gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk moment is geklaagd [2] .
4.17.
Het hof is van oordeel dat [appellant] hiermee in gebreke is gebleven. [appellant] heeft enkele concrete gelegenheden genoemd (memorie van antwoord in incidenteel appel onder 11 en verder) waarbij hij en zijn collega’s “wel degelijk herhaaldelijk [hebben] geklaagd over het onbetaald blijven van een deel van de werktijden”. Het hof zal deze achtereenvolgens bespreken.
4.18.
De eerste gelegenheid die [appellant] heeft genoemd (een dispuut over de verruiming van de openingstijden in juni 2015), is hier niet van belang reeds omdat [appellant] zelf heeft opgemerkt dat deze kwestie niets van doen heeft met de werktijden buiten de openingstijden om.
4.19.
[appellant] heeft vervolgens gewezen op een e-mail van 5 januari 2017 van de bedrijfsleider aan de boekhouder. Ook hierin leest het hof niets dat ook maar enig verband houdt met de kwestie waar het in deze zaak om gaat.
4.20.
[appellant] heeft verder naar voren gebracht dat het balletje pas goed ging rollen toen een collega (het hof begrijpt: [appellant andere procedure] ) in juli 2017 ziek werd, zich (noodgedwongen) met behulp van de FNV is gaan verdiepen in zijn rechten en een vuist heeft gemaakt met collega’s (onder wie [appellant] ), die in hetzelfde schuitje zaten. Daartoe is verwezen naar een e-mail van [appellant andere procedure] van 21 november 2017. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel (onder 15) is daarover het volgende opgemerkt:
In zijn e-mailbericht (…) geeft [appellant andere procedure] aan dat ‘
voor mij is het een bevestiging wat ik al jaren riep tijdens werk’ waarmee [appellant andere procedure] doelt op zijn niet aflatende klachten over zijn vermoeden dat de cao niet wordt nageleefd. Alles werd door La Bastille weggewuifd onder verwijzing naar de bonusregeling waarmee de overuren zouden zijn gecompenseerd. De werknemers werd voorgehouden dat iedereen binnen het bedrijf op gelijke wijze is ingeschaald waarbij de verdeelsleutel van de bonus zorgde voor de benodigde differentiatie (…).
Het e-mailbericht van [appellant andere procedure] houdt het volgende in:
Graag wil ik nog reageren op jou mail van 07-11 jl.
Ik ben blij dat La Bastille nu opeens het protocol van de bedrijfsarts wil volgen. Ik zal dan ook na deze mail aangeven wat mijn voorkeur heeft als extern-mediator.
Verder geef je aan dat je verbaasd bent dat ik opeens een conflict heb met de directie van WV Beheer. Voor jou een verbazing, voor mij is het een bevestiging wat ik al jaren riep tijdens werk.
Ik kan mij echter wel voorstellen dat je verbaasd bent als ik tegen de bedrijfsarts zeg dat na onderzoek van mij en FNV-Horeca blijkt dat ik jaren lang, nu blijkt recht heb op mijn overuren, feestdagen compensatie en nog meer. Dit ben ik aan het onderzoeken en mijn advocaat zal dan terug komen met de juiste berekening. Ik stel dan ook bijdeze La Bastille/WV beheer aansprakelijk voor het niet betalen van overuren, feestdagen compensatie en al het ander waar ik recht op heb als werknemer. De kosten voor een eventuele procedure is voor de rekening van wv beheer/ La Bastille XL. Begrijp me goed zover wil ik niet laten komen, maar gezien de voor geschiedenis ga ik hier wel van uit.
Dit is ook bij de bedrijfsarts bekend en deze zou contact opnemen met jullie. Wellicht zou je de moeite kunnen nemen om hierover tijdens mediation met mij erover te hebben.
Het hof constateert dat het een mail betreft van [appellant andere procedure] waarin inderdaad wordt gesproken over het niet betalen van overuren. Niets in deze mail wijst er echter op dat [appellant andere procedure] zijn klachten ook namens [appellant] naar voren heeft gebracht. Dat is des te meer van belang omdat [appellant andere procedure] en [appellant] niet in hetzelfde café werkten ( [appellant andere procedure] bij La Bastille XL en [appellant] bij de ‘kleine’ Bastille). De stelling dat [appellant] en andere collega’s met [appellant andere procedure] een vuist hebben gemaakt, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht. Uit de toelichting bij memorie van antwoord in incidenteel appel onder 4 lijkt slechts te volgen dat die ‘vuist’ pas is gemaakt bij brief van 19 november 2018 (nadat een vergelijkbare brief namens [appellant andere procedure] was verstuurd op 19 april 2018).
4.21.
Geconcludeerd moet worden dat niet kan worden aangenomen dat door of namens [appellant] eerder dan 19 november 2018 is geklaagd over het onbetaald blijven van overuren waar het in deze procedure om gaat. Dat reeds eerder, bij brief van 19 april 2018, namens [appellant andere procedure] hierover is geklaagd, brengt daarin geen verandering.
4.22.
Bij memorie van antwoord in incidenteel appel is aangevoerd dat, kort gezegd, van [appellant] en zijn andere collega’s niet te verwachten was maandelijks te ageren tegen het vermoeden dat de cao werd overtreden omdat zij daarmee hun arbeidsrelatie op het spel zouden zetten.
4.23.
Dit betoog is onverenigbaar met een aantal uitlatingen die [appellant] in zijn processtukken heeft gedaan. Zo heeft hij het volgende naar voren gebracht:
- de discussie omtrent het niet betalen van de overuren speelt al jaren [3] ;
- [appellant] en zijn andere collega’s hebben tijdens hun dienstverband wel degelijk herhaaldelijk geklaagd over het onbetaald blijven van een deel van de werktijden [4] ;
- La Bastille beroept zich op rechtsverwerking omdat [appellant] en zijn andere collega’s nooit eerder zouden hebben geklaagd. Dit wordt door hen betwist omdat [appellant andere procedure] , mede namens zijn vaste collega’s eerder wel degelijk herhaaldelijk heeft geklaagd over het onbetaald blijven van de overuren. Zij liepen daarbij tegen een muur omdat La Bastille overtuigd was van haar eigen systeem. Dit is ook de reden dat zij de uren bijhielden [5] .
4.24.
Hoewel, zoals hiervoor overwogen, niet kan worden aangenomen dat door of namens [appellant] eerder dan 19 november 2018 is geklaagd over het onbetaald blijven van overuren, acht het hof het tegen de achtergrond van deze en dergelijke uitlatingen niet geloofwaardig dat [appellant] zich eerder niet vrij heeft gevoeld te klagen over het niet betaald worden van overuren waarop hij in zijn visie aanspraak had. De onverenigbaarheid hiervan met die uitlatingen brengt mee dat het hierop gerichte betoog van [appellant] onvoldoende gemotiveerd is en daarom geen stand kan houden. Het hof memoreert dat [appellant] ter zitting van het hof Amsterdam heeft gezegd dat hij de kwestie van de overuren bij het nemen van ontslag niet aan de orde heeft gesteld. Geconcludeerd moet worden dat eerder klagen daarom wel degelijk van [appellant] kon worden verlangd en dat de aard en inhoud van de rechtsverhouding tussen partijen daarvoor in dit geval geen beletsel vormde. Het gaat er daarbij overigens niet om dat [appellant] en zijn andere collega’s “maandelijks ageerden”, maar om - na het ontdekken of behoren te ontdekken van het gestelde structureel niet uitbetalen van overuren - protesteren.
4.25.
Als omstandigheid iv die het hof Amsterdam volgens de Hoge Raad kenbaar in zijn oordeel had moeten betrekken, heeft de Hoge Raad genoemd dat het gelet op de intimiderende houding die La Bastille XL zich aanmat, logisch is dat de collega die de voortrekkersrol vervulde ( [appellant andere procedure] ,
hof) pas in 2017 heeft doorgepakt met het instellen van een loonvordering. Het gaat hier om een passage uit de pleitaantekeningen voor het hof Amsterdam. Deze spreekaantekeningen zijn identiek aan de pleitaantekeningen die het hof heeft aangetroffen in het dossier van [appellant andere procedure] tegen La Bastille XL, in welke zaak het hof eveneens vandaag uitspraak doet. Op de pleitaantekeningen is in beide zaken als zaaknummer vermeld 200.284.501/01, het zaaknummer dat is vermeld op het arrest van het hof Amsterdam in de zaak van [appellant andere procedure] . Naar het hof begrijpt, zijn [appellant] en [appellant andere procedure] (en nog enkele andere werknemers) bijgestaan door dezelfde advocaat, mr. Heijlaerts, en heeft deze advocaat zich in de verschillende zaken bediend van dezelfde pleitaantekeningen. Het hof begrijpt ook dat de hier bedoelde passage in deze pleitaantekeningen enkel betrekking heeft op de zaak tussen [appellant andere procedure] en La Bastille XL. Het hof gaat er dus van uit dat omstandigheid iv in het arrest van de Hoge Raad niet een door [appellant] aangevoerde omstandigheid betreft. Ten overvloede overweegt het hof nog dat het ook hier gaat om na het ontdekken of behoren te ontdekken van het gestelde structureel niet uitbetalen van overuren, protesteren bij La Bastille XL en niet om ‘doorpakken met het instellen van een loonvordering’.
4.26.
[appellant] heeft naar voren gebracht dat La Bastille XL de diensttijden niet overeenkomstig de eisen van de cao en de Arbeidstijdenwet heeft geregistreerd. Als zij dat wel zou hebben gedaan, zou er nu – zo begrijpt het hof – geen onduidelijkheid hebben bestaan over de overuren en zou La Bastille XL de vordering van [appellant] wegens overuren zelfstandig kunnen beoordelen. Dit betoog van [appellant] moet in dit verband kennelijk aldus worden begrepen dat voor zover La Bastille XL nadeel lijdt door het late tijdstip van klagen, dat nadeel voor haar eigen rekening moet blijven en daarom niet een omstandigheid vormt die in aanmerking is te nemen bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW Pro besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht.
4.27.
Het hof laat de vraag rusten of La Bastille XL de arbeidstijd van [appellant] naar de geldende eisen heeft geregistreerd. Ook als het standpunt van [appellant] op dit punt zou worden gevolgd en om die reden zou moeten worden aangenomen dat benadeling in de bewijspositie van La Bastille XL door het late tijdstip van protesteren voor eigen rekening van La Bastille XL moet blijven, neemt dat een en ander niet weg dat La Bastille XL in een ander concreet belang is geschaad door het late tijdstip van protesteren.
4.28.
Als gevolg van dat late tijdstip van protesteren door [appellant] is aan La Bastille XL immers feitelijk de mogelijkheid ontnomen de gestelde, niet betaalde overuren alsnog op de voet van artikel 3.12 van de cao te vergoeden in de vorm van vrije tijd of de werkzaamheden anders in te richten waardoor bijvoorbeeld het doorwerken na sluitingstijd kon worden voorkomen of beperkt (vergelijk het arrest van het hof Amsterdam van 5 april 2022 onder 3.9.6 slot). Denkbaar is bijvoorbeeld dat, zoals in de stellingen van La Bastille XL genoegzaam besloten ligt, personeel zou zijn geïnstrueerd eerder te beginnen met afsluitende werkzaamheden, deze efficiënter uit te voeren en strikter toe te zien op handhaving van die instructies en van de sluitingstijd. De door [appellant] gestelde overwerktijd ‘na sluit’ is zodanig lang dat het hof voldoende aannemelijk acht dat La Bastille XL in dat geval maatregelen zou hebben getroffen als hiervoor bedoeld.
4.29.
Het beschreven belang van La Bastille XL weegt voor het hof zó zwaar dat het voldoende opweegt tegen het voor [appellant] ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren, namelijk dat hem geen beroep meer toekomt op het onbetaald gebleven zijn van de door hem gestelde overuren. Daarbij weegt mee dat dit belang van La Bastille XL voor [appellant] redelijkerwijs voorzienbaar was en dat, zoals eerder overwogen, tijdig protesteren voor [appellant] mogelijk was.
4.30.
Bij memorie na verwijzing heeft [appellant] nog enkele andere argumenten genoemd: La Bastille XL werkte met tijdelijke contracten en pas na het verstrijken van de maximaal toegestane duur van de keten is [appellant] in vaste dienst gekomen, La Bastille XL had een houding van ‘voor jou tien anderen’ en onder ogen moet worden gezien het belang van een deugdelijke arbeidsregistratie zoals bevestigd in een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze argumenten leiden echter, zoals uit de voorgaande overwegingen voortvloeit, niet tot een ander oordeel.
4.31.
Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.
4.32.
Ook na verwijzing luidt de conclusie dat grief 3 in principaal beroep faalt. De door [appellant] ingestelde vorderingen die voortbouwen op de vordering tot betaling van overuren behoeven geen verdere bespreking.
4.33.
De kantonrechter heeft de vordering wegens overuren en de daarop voortbouwende vorderingen afgewezen. Uitsluitend in zoverre is het vonnis van de kantonrechter in het geding na verwijzing nog aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof komt na verwijzing niet tot andere beslissingen, ook niet ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van het hof Amsterdam tot compensatie van de proceskosten in hoger beroep voor verwijzing. Het hof overweegt ten overvloede dat de onderdelen van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2022 en 13 december 2022 die in het geding na verwijzing niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen omdat zij in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, onaantastbaar zijn geworden.
4.34.
De uitkomst van het geding na verwijzing brengt mee dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding na verwijzing.

5.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover na verwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen;
bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten in hoger beroep vóór verwijzing draagt;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding na verwijzing en begroot deze aan de zijde van La Bastille XL op nihil wegens verschotten en € 1.368,- wegens salaris en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van dit arrest;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, M.D. Ruizeveld en M. Verkerk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1063.
2.Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593.
3.Memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis onder 9.
4.Memorie van antwoord in incidenteel appel onder 12.
5.Spreekaantekeningen in hoger beroep vóór verwijzing onder 17.