Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbenden zijn aangeduid als eisers en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“
Heeft verweerder een verplichting tot het toezenden van stukken geschonden?
5. Eisers betogen dat verweerder zijn verplichting tot het toezenden van stukken heeft geschonden. Verweerder heeft namelijk geen iWOZ-kaarten toegestuurd.
6. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) moet aan degene over wie een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt.[1]
7. Om de iWOZ-kaarten hebben eisers in bezwaar niet verzocht, zodat verweerder alleen al daarom niet verplicht was deze aan hen toe te zenden. Ook is niet gebleken dat verweerder iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten ten grondslag heeft gelegd aan de waardebepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom geen verplichting tot het toezenden van stukken geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?
8. Eisers betogen dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 ten hoogste € 248.000 bedraagt. Eisers bestrijden dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen. Eisers hebben een bouwkundig rapport, taxatierapport en matrix, én de stamkaarten en indexaties van [adres 5] , [adres 7] en [adres 6] overgelegd. Deze vergelijkingsobjecten dienen bij de waardering te worden betrokken. Op grond van het bouwkundig rapport betogen eisers dat de algemene staat, het sanitair, het schilderwerk, én de vloercoating en het hekwerk van het balkon van de woning onvoldoende zijn. Voor verbetering van de woning zou een veelvoud nodig zijn van de kosten die in het door eisers overgelegde bouwkundig rapport worden genoemd. De staat van de kozijnen is matig. Ook zit er asbest in of buiten de woning. Het onderhoud en de kwaliteit dienen daarom op een ‘1’ te worden gesteld. Er is onvoldoende rekening gehouden met de niet-bewoningsclausule. Verder had de berging moeten worden meegenomen bij de waardering.
9. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, als de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".[2]
10. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Uit de taxatie in beroep blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, bouwjaar en voorzieningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De woning en de vergelijkingsobjecten zijn alle in dezelfde buurt gelegen en stammen uit het bouwjaar
1959-1961. Bovendien is er een bandbreedte van € 17.423,- op basis van het verschil tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten. In die bandbreedte kunnen eventuele nadere verschillen geacht worden te zijn verdisconteerd. [3]
11. Wat eisers hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in beroep een taxatierapport met een matrix overgelegd. Uit die matrix blijkt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft het onderhoudsniveau en de kwaliteit van de woning op een ‘2’ gesteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende rekening heeft gehouden met de staat van het onderhoud en de kwaliteit van de woning. Dat het onderhoud en de kwaliteit op een ‘1’ (‘zeer slecht’) zouden moeten worden gesteld, is onvoldoende gebleken uit de door eisers overgelegde foto’s en het bouwkundig rapport.
Het staat verweerder vrij om een eigen keuze te maken voor wat betreft vergelijkingsobjecten. Dit hoeft niet de best denkbare keuze te zijn, maar de vergelijkingsobjecten moeten wel voldoende representatief zijn. Verweerder is dan ook niet gehouden om [adres 5] , [adres 7] en [adres 6] bij zijn vergelijking te betrekken.[4] De door eisers aangedragen vergelijkingsobjecten liggen overigens alle even ver of verder van de woning af dan de vergelijkingsobjecten van verweerder. Verder liggen de bouwjaren van de vergelijkingsobjecten van verweerder dichter bij het bouwjaar van de woning. Van een niet-bewoningsclausule is de rechtbank niet gebleken.
Verweerder heeft de waarde van de berging van de woning en de vergelijkingsobjecten op nul gesteld. Afgaande op de foto van de berging van de woning van eisers is goed voorstelbaar dat die berging in slechtere staat is dan de bergingen van de vergelijkingsobjecten. Gelet op de bescheiden waarde die een gemiddelde berging vertegenwoordigt, acht de rechtbank dat echter geen factor die het verschil kan maken. Volgens de door eisers overgelegde bouwtechnische keuring door [naam 4] van 15 maart 2023 moet op een termijn van een jaar € 24.328,- en op een termijn van 5 jaar opnieuw € 26.873,- in de woning worden geïnvesteerd. Volgens het eveneens door eisers overgelegde bouwkundig rapport Nationale Hypotheek Garantie (ook van 15 maart 2023) zijn de direct noodzakelijke kosten € 22.718,- en de op termijn noodzakelijke kosten € 22.900,-. Op het verschil tussen de datum van deze rapporten en de waardepeildatum wordt in de rapporten niet ingegaan. In het taxatierapport van verweerder heeft het verschil in onderhoud (‘2’) en kwaliteit (‘2’) tussen de woning en de vergelijkingsobjecten (respectievelijk ‘4’ en ‘4’) geleid tot een correctie van zo’n 30% per vergelijkingsobject (van +5 naar -5% voor onderhoud en van +10 naar -10% voor kwaliteit). Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voorzien in noodzakelijke investeringen in de woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de toegepaste VLOK-waardering van de normale staat van woningen in het relevante segment op de waardepeildatum uitgaat. Daarnaast is er geen ruimte - zoals eisers lijken te bepleiten - voor een lagere waardering vanwege hoge kosten die nodig zijn voor verbeteringen (in de termen van inspecteur [naam 5] in de bouwtechnische keuring van eisers: ‘het op het technische en esthetische niveau van de huidige tijd […] krijgen’). Dat voor zulke verbeteringen een veelvoud van de voor herstel te maken kosten zou moeten worden geïnvesteerd, is ook niet met feiten onderbouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder - ook als men rekening houdt met de volgens eisers noodzakelijke herstelwerkzaamheden - aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de door eisers voorgestane waarde en de onderbouwing daarvan.
Hebben eisers recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
13. Eisers hebben ter zitting verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij betogen een financieel belang van meer dan € 1.000,- te hebben.
14. Belastinggeschillen behoren binnen een redelijke termijn te worden berecht. De rechtbank sluit zich aan bij de uitgangspunten van de Hoge Raad.[5] Bij de behandeling van een zaak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank geen uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Verder geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om die termijn te verlengen. In zijn uitspraak van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als het financiële belang minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de rechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[6]
15. In deze procedure is het verzoek tot schadevergoeding gedaan ná het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, waardoor de nieuwe lijn van de Hoge Raad van toepassing is. Het bezwaarschrift is gedateerd op 24 april 2022. Op het moment van de uitspraak van de rechtbank zijn er sinds die datum twee jaar en (naar boven afgerond) vijf maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Daarnaast hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat hun financiële belang € 1.000,- of meer bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank doet de bijzondere omstandigheid, zoals die hiervoor in overweging 14 is toegelicht, zich in het onderhavige geval dus voor. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom af en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.