Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:484

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
200.340.932/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering door niet-vergunde tussenpersonen bij effectenleaseovereenkomsten

Deze civiele zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en geïntimeerde, waarbij de kernvraag was of Dexia onrechtmatig handelde door het inzetten van tussenpersonen zonder vergunning die gepersonaliseerd beleggingsadvies gaven.

De feiten, vastgesteld door de kantonrechter en onbestreden in hoger beroep, tonen aan dat de tussenpersonen geïntimeerde persoonlijk adviseerden over specifieke effectenleaseproducten, ondanks het ontbreken van de vereiste vergunning. Dexia wist of behoorde te weten van deze advisering, maar heeft nagelaten dit te controleren.

Het hof oordeelt dat de advisering door de tussenpersonen vergunningplichtig was en dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door deze praktijk te faciliteren. Dexia's verweer dat zij niet op de hoogte was, wordt verworpen vanwege haar nalatigheid en de bedrijfsmatige opzet van de distributie via tussenpersonen.

De grieven van Dexia worden afgewezen, het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, en Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan geïntimeerde en tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Dexia tot volledige schadevergoeding en proceskosten wegens onrechtmatige advisering door niet-vergunde tussenpersonen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.932/01
Zaaknummer rechtbank: : 10229837 EL 22-136
Arrest van 7 april 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 25 januari 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van dit hof van 28 oktober 2025 en de daarin genoemde processtukken;
  • de antwoordmemorie na tussenarrest met producties van Dexia van 25 november 2025;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] van 6 januari 2026.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over drie effectenleaseovereenkomsten met de contractnummers [contractnummer 1] (ook wel: effectenleaseovereenkomst I), [contractnummer 2] (ook wel: effectenleaseovereenkomst II) en [contractnummer 3] (ook wel: effectenleaseovereenkomst III). Deze overeenkomsten worden hierna samen aangeduid als ‘de Effectenleaseovereenkomsten’. De Effectenleaseovereenkomsten zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via de twee tussenpersonen [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] (hierna gezamenlijk: de tussenpersonen). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door tussenpersonen die niet de daarvoor vereiste vergunning hadden, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersonen beleggingsadvies hebben gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia, na betaling aan [geïntimeerde] van een in goede justitie te bepalen bedrag en de rente daarover, aan al haar verplichtingen onder de Effectenleaseovereenkomsten heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.3.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.4.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als in rov. 4.15 van het bestreden vonnis weergegeven. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (“De feiten”). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Dexia in de proceskosten van het hoger beroep.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) de cliëntenremisiers – [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] – tevens als financieel adviseurs zijn opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] de tussenpersonen als cliëntenremisiers zijn betrokken en dat deze niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier(s) of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop de tussenpersonen in dit geval hebben geadviseerd bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, onder meer in “III.4 Advisering door de tussenpersoon” in zijn conclusie van antwoord. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer.
[tussenpersoon 1]
4.7.
[geïntimeerde] is met een adviseur van [tussenpersoon 1] in contact gekomen via een kennis van hem die goede ervaring had gehad met de adviseur. [geïntimeerde] heeft een afspraak met een adviseur gemaakt om zijn financiële situatie en mogelijkheden door te nemen. [geïntimeerde] is hierop meerdere keren op het kantoor van deze adviseur van [tussenpersoon 1] geweest en hij heeft meerdere persoonlijke gesprekken met de adviseur gevoerd. Daarbij is besproken dat [geïntimeerde] extra vermogen wenste op te bouwen, met welke doelen en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. [geïntimeerde] had een wens om zijn pensioen aan te vullen en om een eigen woning te kunnen kopen. Naar aanleiding van het contact met de adviseur is [geïntimeerde] door [tussenpersoon 1] geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct (te weten: Profit Effect Vooruitbetaling) van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur van [tussenpersoon 1] geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . De adviseur heeft zijn verhaal kracht bijgezet aan de hand van een aan hem overhandigde “Cash Flow” en brochure over dit specifieke effectenleaseproduct. [geïntimeerde] heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Onder deze feiten en omstandigheden is effectenleaseovereenkomst I tot stand gekomen, aldus [geïntimeerde] .
[tussenpersoon 2]
4.8.
[geïntimeerde] heeft een paar maanden later via de tussenpersoon [tussenpersoon 2] effectenleaseovereenkomst II en III afgesloten. [geïntimeerde] was bekend met [tussenpersoon 2] , omdat hij via deze tussenpersoon eerder een verzekering had afgesloten. [geïntimeerde] zijn financiële doelen en wensen waren sinds het afsluiten van effectenleaseovereenkomst I onveranderd gebleven. Een adviseur van [tussenpersoon 2] heeft [geïntimeerde] geadviseerd om nog twee specifieke effectenleaseproducten (te weten: AEX Plus Vooruitbetaling 20 jaar en AEX Plus Maandbetaling 20 jaar) aan te schaffen. [geïntimeerde] heeft het advies van deze adviseur opgevolgd uit vertrouwen. Onder deze feiten en omstandigheden zijn effectenleaseovereenkomst II en III tot stand gekomen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
4.9.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersonen is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersonen aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia voert verder aan dat de (blote) stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband eveneens op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Zo volgt uit de overgelegde stukken hooguit dat de tussenpersonen betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, maar niet welke inhoudelijke rol zij in dit proces hebben vervuld en niet op welke wijze zij dan betrokken waren. Dat de tussenpersonen op de Effectenleaseovereenkomsten worden aangeduid als ‘adviseur’ doet aan het voorgaande niet af. Hetzelfde geldt voor het geval dat de adviseurs van de tussenpersonen zich tegenover [geïntimeerde] zouden hebben gepresenteerd als ‘adviseur’. Dexia betoogt in dit verband dat [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de tussenpersonen uitvraag hebben gedaan naar zijn financiële omstandigheden en doelen. De door [geïntimeerde] als producties B en C bij conclusie van antwoord overgelegde Cash Flow en brochure kunnen voornoemd standpunt van [geïntimeerde] (dan ook) niet dragen. In het verlengde hiervan heeft [geïntimeerde] ook niet gesteld dat in zijn contact met de tussenpersonen andere effectenleaseproducten ter sprake zijn gebracht dan die welke uiteindelijk zijn afgenomen. Al met al kan niet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door daartoe onbevoegde tussenpersonen, aldus Dexia.
4.10.
Het hof heeft in de feitelijke stellingen die [geïntimeerde] eerst bij memorie van antwoord heeft ingenomen omtrent de vergunningplichtige advisering door [tussenpersoon 2] , aanleiding gezien Dexia in de gelegenheid te stellen daar bij akte op te laten reageren, zoals bepaald in het tussenarrest van dit hof van 28 oktober 2025.
4.11.
Dexia heeft bij antwoordmemorie na tussenarrest over de advisering door [tussenpersoon 2] het volgende aangevoerd. [geïntimeerde] heeft geen enkel bewijs aangedragen voor zijn stelling dat hij door deze tussenpersoon is geadviseerd. Het verhaal van [geïntimeerde] vertoont bovendien lacunes. Zo heeft [geïntimeerde] niet gesteld dat de medewerker van [tussenpersoon 2] uitvraag heeft gedaan naar zijn financiële situatie en doelstellingen. Dexia acht het opmerkelijk dat [geïntimeerde] de identiteit van de betrokken medewerker van [tussenpersoon 2] niet kan reproduceren en dit doet volgens Dexia af aan de geloofwaardigheid van zijn stellingen.
4.12.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen, juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht aan personen heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.13.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersonen bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, moet gezien de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) beide tussenpersonen bekend waren met de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan de tussenpersonen bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersonen vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder hebben geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat beide tussenpersonen de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] hebben voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde] , bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.14.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de herinneringen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerkers van de tussenpersonen, met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
4.15.
Dexia is er onvoldoende in geslaagd de feitelijke stellingen van [geïntimeerde] omtrent de vergunningplichtige advisering door [tussenpersoon 2] te weerleggen. De stelling van [geïntimeerde] dat hij is geadviseerd, is ook aannemelijk omdat de toenmalig directeur van [tussenpersoon 2] in een schriftelijke verklaring heeft aangegeven dat medewerkers van deze tussenpersoon afnemers van effectenleaseproducten voorzagen van persoonlijke adviezen die waren afgestemd op de financiële omstandigheden en doelstellingen van de desbetreffende afnemer bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten. Ook deze omstandigheid draagt bij aan het oordeel van het hof dat in het geval van [geïntimeerde] sprake is geweest van vergunningplichtige advisering door [tussenpersoon 2] .
4.16.
Anders dan Dexia betoogt, is niet doorslaggevend of [geïntimeerde] zich de identiteit van de betrokken medewerker van [tussenpersoon 2] nog kan herinneren. Het antwoord op de vraag of vergunningplichtig is geadviseerd is immers afhankelijk van de inhoud van het gegeven advies; niet van de identiteit van de betrokken medewerker van een tussenpersoon.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat zowel [tussenpersoon 1] als [tussenpersoon 2] vergunningplichtig advies hebben gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.18.
Het verweer van Dexia dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt verworpen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.19.
Dexia heeft verder nog aangevoerd dat alle cliëntenremisiers destijds geregistreerd waren bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM), dat de STE/AFM actief contact onderhield met zowel Dexia als de cliëntenremisiers en dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de handelwijze in strijd was met de wet en zij daaraan ook het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet. Dat verweer gaat niet op. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Voor de beoordeling van haar privaatrechtelijke aansprakelijkheid is niet doorslaggevend hoe de STE/AFM destijds oordeelde over de handelwijze van tussenpersonen die voor Dexia effectenleaseovereenkomsten verkochten. Het gaat er in relatie tot [geïntimeerde] om of de handelwijze van de tussenpersonen is aan te merken als ‘advies’ in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft in de prejudiciële beslissing.
4.20.
Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure verder heeft aangevoerd over de juridische betekenis van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing uit 2022, geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wetenschap Dexia
4.21.
Over de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat tussenpersonen standaard, of op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.22.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat de tussenpersonen zich voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur hadden gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat de tussenpersonen aan de eisen van art. 41 NR Pro 1999 voldeden. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersonen vergunningplichtig advies hadden gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door de tussenpersonen werd geadviseerd. Ten aanzien van [tussenpersoon 2] komt daar nog bij dat uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de verklaring van de toenmalig directeur volgt dat deze tussenpersoon zich naar de buitenwereld presenteerde als adviseur op het gebied van beleggingsproducten. Dit impliceert dat [tussenpersoon 2] ook advies uitbracht over effectenleaseproducten. Dexia had, onder verwijzing naar de bovengenoemde omstandigheden, aanleiding moeten zien om bij beide tussenpersonen na te gaan of zij binnen de hun toegestane kaders als cliëntenremisiers waren gebleven bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten. Nu Dexia dit heeft nagelaten, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening en risico. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersonen [geïntimeerde] advies hebben gegeven.
4.23.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat de tussenpersonen adviseerden.
4.24.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Openstaande restschuld
4.25.
Grief IV stelt aan de orde dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, [geïntimeerde] volgens Dexia de openstaande restschuld is verschuldigd en het bestreden vonnis daarom geen stand kan houden. Gezien het voorafgaande kan deze grief van Dexia niet slagen.
Verklaring voor recht
4.26.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief V op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de grieven van Dexia niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Daarom behoeft deze grief geen behandeling.
Conclusie
4.27.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
4.28.
Omdat [geïntimeerde] in het gelijk wordt gesteld, heeft hij geen belang meer bij de overlegging van de aanvraagformulieren voor de Effectenleaseovereenkomsten. Het hof gaat daarom aan dit verzoek voorbij.
4.29.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.30.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.31.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, H.J. van Harten en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).