Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:877

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
BK-25/127
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BpmArt. 10 Wet BpmArt. 10b Wet BpmArt. 110 VWEUArt. 8:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste aangifte en niet aannemelijke schadevermindering

Belanghebbende deed aangifte voor BPM van een geïmporteerde Mini Clubman, waarbij een taxatierapport werd gebruikt dat een aanzienlijke schadevermindering claimde. De Inspecteur stelde dat het taxatierapport niet bruikbaar was vanwege essentiële gebreken aan de auto en legde een naheffingsaanslag op op basis van een forfaitaire tabel.

De Rechtbank wees het beroep van belanghebbende af en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel. Het Hof concludeert dat de auto op het moment van aangifte reeds was hersteld, waardoor het taxatierapport niet de juiste staat van de auto weerspiegelt. Daarnaast bevat het taxatierapport formele en materiële gebreken en zijn de schadeposten deels essentiële gebreken die niet in aftrek mogen worden gebracht.

Belanghebbende kon geen aannemelijk bewijs leveren voor een hogere waardevermindering. Het beroep op eerder begunstigend beleid en het vertrouwensbeginsel faalt omdat het beleid is ingetrokken en de Inspecteur zijn standpunt binnen de procedure mocht wijzigen. De historische nieuwprijs is niet te hoog vastgesteld en de forfaitaire tabel is de juiste methode. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag BPM en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/127

Uitspraak van 14 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 februari 2025, nummer SGR 23/7490.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.298 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 7 mei 2025 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 17 februari 2026 een nader stuk met bijlage ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 19 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mini Clubman 2.0 John Cooper Works All4 Chili (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 1.766 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 21 juni 2017. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 208 gram/km. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur overgelegd.
2.2.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld “10-10-2022 00:00:00”, als land van herkomst van de auto Bondsrepubliek Duitsland, als netto maximaal vermogen 141 kW, als CO2-uitstoot 208 gram/km en als tellerstand 37.765 kilometer. Verder vermeldt het Voertuigbeeld RDW onder het kopje “Keuring” als ontvangstmoment “10-10-2022 15:57:32” en het (oorspronkelijke) Duitse kenteken van de auto.
2.3.1.
In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). De auto is op 7 oktober 2022 door [naam] getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 37.765 (afgelezen van werkorder). In het taxatierapport van 17 oktober 2022 is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 54.864 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (aan de hand van de koerslijst Xray) op € 19.924. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 17.534,82 wegens schade (100% van de schadecalculatie). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 2.389,18.
2.3.2.
In het taxatierapport is, voor zover hier van belang, onder meer vermeld:
“(…)
Motor
:
Catalysator regelt niet af herstellen
(…)
(…)
Velgen/banden
:
4 velgen schadeherstellen
4 banden vervangen onvoldoende profiel voor APK
Electrische inrichting
:
Achterlichten vervangen deze zijn USA uitvoering
(…)
Paneel schakelaars dak niet aanwezig
Koplampen vervangen steunen gelijmd
Navigatie werkt niet vervangen
Buitenzijde carosserie
:
(…)
Panoramadak defect vervangen
(…)”
2.4.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 21 oktober 2022 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 25 oktober 2022 om 11.00 uur. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 26 oktober 2022. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.587, de netto catalogusprijs op € 34.951 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 19.959. De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 4.207 (72% van € 5.843), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 15.752 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 208 gram/km, een opgegeven kilometerstand RDW van 37.765 km en een afgelezen kilometerstand DRZ van 37.862 km.
2.4.2.
Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ zijn (is een groot aantal van) de in de schadecalculatie van belanghebbende opgevoerde schadeposten doorlopen en is per schadepost de bevinding daarover van DRZ vermeld. Daarbij is onder meer, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Beschrijving onderdeel
Bevinding
AE’s of extra opm.
Fotonummers
Panorama dak
geen schade
46 t/m 49
Besturingsapparaat high navi
onderdeel n.v.t. op deze uitvoering
Voertuig is niet uitgerust met navigatie
(…)
Banden rondom
valt onder gebruikersschade
6, 12, 18, 23
Ruil katalysator
o.b.v. reparatielogica afgewezen
Brand geen motormanagementlampje
(…)
Velgen rondom
geen schade/valt onder gebruikersschade
Bouwjaar 2017
6, 12, 18, 23
(…)”
2.4.3.
Onder het kopje “Overige opmerkingen” in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ is verder onder meer vermeld:
“(…) Het voertuig blijkt volgens de vin-gegevens van VWE minder rijk te zijn uitgerust dan in de aangifte is weergegeven.”
2.4.4.
Tot het rapport onderzoek waardebepaling DRZ behoren verder:
  • een “Calculatie reparatiekosten” opgemaakt door DRZ, die optelt tot een bedrag van € 5.842,74;
  • een afschrift van het Fabrieksinformatie Rapport van de auto, dat als “ManufacturerCode” 609 vermeldt een “navigation system professional”, en
  • een afschrift van een door DRZ ingevuld formulier van AutotelexPro waarin voor de auto onder de uitrusting als pakket is vermeld “Wired pakket € 1900 (€ 1570): connected services, navigatiesysteem full map + hard disk, spraakbediening”.
2.5.1.
Op 13 december 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Op grond van de individuele waardebepaling uitgevoerd door DRZ kom ik tot de conclusie dat de inkoopwaarde in het taxatierapport niet juist is en derhalve niet gebruikt kan worden. In de inkoopwaarde die DRZ heeft vastgesteld is rekening gehouden met schade welke aan het motorrijtuig aanwezig is. Het feit dat DRZ tot deze inkoopwaarde is gekomen ligt in de
individuele beoordeling van het specifieke voertuig met zijn specifieke elementen. Vooralsnog ben ik van mening dat ik deze door DRZ vastgestelde inkoopwaarde kan toepassen om tot de vaststelling van de juiste BPM heffing te komen.
In het bijgevoegde uitgebreide onderzoek waardebepaling door DRZ is duidelijk de waarde gemotiveerd met toepassing van de huidige regelgeving ten aanzien van het gebruik van een taxatierapport.
In uw geval is afschrijving op basis van de tabelafschrijving het meest gunstig. (…).”
2.5.2.
Met dagtekening 3 februari 2023 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 6.298.
2.6.1.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in aanloop naar de zitting bij het Hof belanghebbende per e-mailbericht gevraagd of de keuring bij de RDW op 10 oktober 2022 een fysieke of online keuring heeft betroffen. Belanghebbende heeft belanghebbende bij twee afzonderlijke e-mailberichten, die door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting zijn voorgelezen, te kennen gegeven:
  • zelf aanwezig te zijn geweest bij de keuring door de RDW;
  • dat de auto ook door een keurmeester van de TÜV grondig is gekeurd en dat deze na enkele wijzigingen de auto heeft goedgekeurd, dat die keuring aanmerkelijk grondiger is geweest dan een APK-keuring en dat deze keuring meer dan een uur heeft geduurd.
2.6.2.
Een keuringsrapport van de RDW-keuring en een keuringsrapport van de TÜV zijn niet overgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Herleidingsmethode
6. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet behoort tot de in de wet toegestane methodes om de vermindering van de Bpm te berekenen ter zake van de registratie van een geïmporteerde gebruikte auto.[1]
Historische nieuwprijs
7. Eiser stelt dat, gelet op het arrest van 22 december 2023[2], de historische nieuwprijs van de auto € 74.755 (€ 34.951 (netto catalogusprijs DRZ) + € 7.339 btw + € 32.465 bruto Bpm) bedraagt en dat dit tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.023 (uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 15.634), dan wel € 5.074 leidt.
8. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het taxatierapport niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de) schade van de auto te bepalen, omdat onder meer op het moment van taxatie er sprake was van essentiële gebreken aan de auto (“koplampen vervangen steunen gelijmd”) en dat de auto ten tijde van de taxatie niet geschikt was om op de openbare weg te rijden. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 9 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel.[3] Eiser heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
9. Eiser heeft ter zitting gesteld dat verweerder door zijn late stellingname ter zitting over de essentiële gebreken aan de auto in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld en dat het thans voor verweerder te laat is om in deze procedure nog op de door verweerder in aanmerking genomen schade terug te komen.
10. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Het staat verweerder in beginsel vrij in de procedure voor de rechtbank ter ondersteuning van de door hem opgelegde naheffingsaanslag een ander standpunt in te nemen dan hij in de bezwaarfase heeft ingenomen. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde.[4] Dat doet zich thans evenwel niet voor. Uit het verweerschrift valt namelijk duidelijk op te maken dat verweerder zich er op heeft beroepen dat het taxatierapport niet kan dienen, mede omdat op het moment van taxatie er sprake was van essentiële gebreken aan de auto. Van een expliciete standpuntbepaling aan de zijde van verweerder is dan ook geen sprake. Ook anderszins valt niet in te zien dat sprake zou zijn van schending van de goede procesorde, aangezien eiser ter zitting in de gelegenheid is gesteld om zich hierover uit te laten, hetgeen eiser ook heeft gedaan.
Verzoek artikel 8:45 van Pro de Awb
11. Nu naar het oordeel van de rechtbank in dit geval de forfaitaire tabel had moeten worden toegepast, bestaat er geen aanleiding om op grond van artikel 8:45 van Pro de Awb de inkoopfactuur, factuuronderdelen dan wel betalingsbewijzen van de auto bij eiser op te vragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van verweerder om toepassing van artikel 8:45 van Pro de Awb af.
Conclusie
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
13. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 1 maart 2023 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 10 februari 2025. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Eiser komt dan ook niet voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[1] vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 en gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:699
[3] vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415
[4] vgl. Hoge Raad 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
  • primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
  • subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 74.755, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 15.752 (conform rapport onderzoek waardebepaling DRZ), de verschuldigde bpm op € 6.840 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.074.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt dat DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen, omdat uit het taxatierapport blijkt dat de auto ernstig was beschadigd. Er was geen sprake van essentiële gebreken aan de auto, aldus belanghebbende. De taxatiemethode is dan ook, aldus belanghebbende, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, van toepassing. Belanghebbende stelt dan ook primair dat de aangifte dient te worden gevolgd en dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Voor het geval het Hof van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) en artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een beroep op, naar het Hof begrijpt, eerder geldend begunstigend beleid. Mocht deze laatste stellingname naar het oordeel van het Hof niet opgaan, beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel, nu de Inspecteur eerst in de beroepsfase de stelling heeft betrokken dat sprake is van essentiële gebreken, terwijl in de naheffingsfase wel rekening is gehouden met een (lagere) vermindering wegens schade. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur de historische nieuwprijs op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
5.2.
De Inspecteur stelt dat de auto, mede gelet op de door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting voorgelezen verklaringen van belanghebbende (zie 2.6.1) ofwel ten tijde van de keuring door de RDW niet was hersteld maar op dat moment wel essentiële gebreken had, ofwel ten tijde van de keuring bij de RDW was hersteld, maar ten tijde van die keuring bij de RDW in een andere staat is aangeboden dan in de staat waarin de auto was op het moment van de aangifte en de taxatie. Verder valt de Inspecteur op dat het Voertuigbeeld RDW het (oorspronkelijke) Duitse kenteken van de auto vermeldt. Dit betekent dat de zogenoemde “Zulassung” (na keuring door een Duitse keurmeester van de TÜV) in Duitsland al veel eerder heeft plaatsgevonden, aangezien daar enige tijd overheen gaat. Nu in Duitsland een kenteken is afgegeven, voldeed de auto in Duitsland dus aan de voorwaarden om op de openbare weg te worden toegelaten, aldus de Inspecteur. Gelet op de ter zitting voorgelezen verklaringen wil de Inspecteur aannemen dat de auto bij de RDW is getoond en dat geen sprake was een zogenoemde VIA-keuring (online keuring), maar dan geldt dat de auto bij de RDW in een andere staat is aangeboden dan de staat waarin de auto was op het moment van de aangifte en de taxatie. Dit betekent volgens de Inspecteur dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen, dat de daarin opgevoerde (vermindering) wegens schade niet voor aftrek in aanmerking komt en dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Voor het geval dit nodig is doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie, nu hem ter zitting (met de voorgelezen verklaringen van belanghebbende) andere feiten zijn gepresenteerd dan voorheen. Ruimte voor een geldig beroep op het eerder geldende begunstigende beleid is er niet en het beroep op het vertrouwensbeginsel in dat kader gaat niet op. Verder stelt de Inspecteur dat geen aanleiding bestaat voor aanpassing van de historische nieuwprijs.
Vermindering wegens schade
5.3.
Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De bewijslast rust aldus op belanghebbende (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.4.1.
Het Hof komt op basis van de stukken van het geding en de door de gemachtigde van belanghebbende ter zitting voorgelezen verklaringen van belanghebbende (zie 2.6.1) tot de conclusie dat de auto op het moment van de aangifte (19 oktober 2022) reeds was hersteld. Het is immers niet aannemelijk dat de auto in de in het taxatierapport beschreven toestand (waarin onder meer melding wordt gemaakt van de vervanging van banden wegens onvoldoende profiel voor de APK-keuring en sprake is van met bisonkit geplakte/gelijmde koplampen) op 10 oktober 2022 door de keuring bij de RDW (en door de keuring door de TÜV) zou komen. Dit betekent dat het taxatierapport niet de toestand van de auto weerspiegelt ten tijde van het belastbare feit.
5.4.2.
Indien bovendien al zou gelden dat het voertuig nog niet was hersteld, geldt dat tot de in het taxatierapport in aanmerking genomen schade ook “schadeposten” zijn gerekend die in wezen essentiële gebreken vormen. Zo volgen uit het taxatierapport en de schadecalculatie onder meer problemen met de banden, de koplampen, de remschijven, de achterlichten en de katalysator. Met een voertuig met dergelijke gebreken kan geen gebruik worden gemaakt van het verkeer op de openbare weg. Met dergelijke gebreken kan dus geen rekening worden gehouden bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde.
5.4.3.
De foto’s in het taxatierapport komen overigens niet overeen met het uit het taxatierapport en de schadecalculatie volgende beeld van de auto. Zo is aan het dak en aan de rest van de carrosserie geen schade te zien, terwijl in de schadecalculatie allerlei herstel- en spuitwerk aan bijna de gehele carrosserie is opgenomen, onder meer vervanging van het panoramadak. De enige schade die voor gedeeltelijke aftrek in aanmerking kan komen, is de bovenmatige schade aan de velgen. In dit verband voegt het Hof toe dat vervanging van de velgen geenszins nodig is voor een voertuig van deze leeftijd.
5.4.4.
Het taxatierapport heeft bovendien formele en materiële gebreken. Een inkoopfactuur ontbreekt en het taxatierapport bevat tegenstrijdigheden, zoals bijvoorbeeld het vervangen van de achterlichten omdat deze een “USA uitvoering” zouden hebben, terwijl de auto een Duits kenteken heeft gehad en de lampen dus al aan de Europese regelgeving zullen hebben voldaan en deze anders niet zou zijn goedgekeurd. Ook worden in de bij het taxatierapport gevoegde schadecalculatie kosten gecalculeerd die geen schade betreffen maar normale gebruikssporen voor een auto van die leeftijd betreffen (zoals bijvoorbeeld diverse onderhouds- en servicewerkzaamheden, het vervangen van ruitenwisserbladen en het vervangen van remschijven).
5.5.
In beide gevallen (de auto was hetzij hersteld dan wel had dusdanige gebreken, dat deelname aan het verkeer onmogelijk was) is sprake van een onjuiste aangifte. Het taxatierapport is niet bruikbaar omdat het niet de staat van de auto ten tijde van de aangifte weerspiegelt en ernstige formele en materiële gebreken bevat. Belanghebbende heeft hiermee de door hem opgevoerde schade niet aannemelijk gemaakt. Het Hof ziet ook aanleiding om het rapport van DRZ te verwerpen, nu DRZ niet heeft gezien dat de auto wel over navigatie beschikt. Het rapport van DRZ is daarmee ook innerlijk tegenstrijdig, omdat in het rapport wel aanwijzingen zijn te vinden dat de auto wel over navigatie beschikt (zie 2.4.4). Nu ook anderszins geen schade aannemelijk is gemaakt, bestaat geen aanleiding voor een hogere waardevermindering ten gevolge van schade dan de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag reeds in aanmerking heeft genomen. De Inspecteur heeft eerder te veel dan te weinig schade in aanmerking genomen.
5.6.
Voor het geval het Hof van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken, doet belanghebbende met toepassing van artikel 10b Wet Bpm en artikel 110 VWEU Pro een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit BPM 2021, Staatscourant 2021, nummer 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van de Inspecteur (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5). Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat zijn beroep op artikel 10b Wet Bpm ziet op toepassing van de historische wetgeving, de historische bruto bpm en de historische heffingsmaatstaf en dat daar ook het beleid onder valt.
5.7.
Artikel 10b, lid 1, Wet Bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.
5.8.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet Bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.
5.9.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU Pro niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu hij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU Pro is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd.
5.10.
Voor het geval het Hof van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken en belanghebbendes beroep op het begunstigend beleid niet opgaat, doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel nu de Inspecteur eerst in de beroepsfase de stelling heeft betrokken dat sprake is van essentiële gebreken, terwijl in de naheffingsfase wel rekening is gehouden met een (lagere) vermindering wegens schade. Dit beroep gaat niet op, nu de Inspecteur in de bezwaarfase geen enkel standpunt heeft ingenomen als gevolg waarvan hij zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie, zou hebben prijsgegeven. Verder geldt dat de Inspecteur geen toezegging heeft gedaan dat het standpunt over het bestaan van essentiële gebreken niet zou worden betrokken in het verloop van de procedure. Het staat de Inspecteur dan ook vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Dit geldt eens te meer nu belanghebbende bij het doen van aangifte, met het bijbehorende taxatierapport, de feiten anders heeft gepresenteerd dan ze in werkelijkheid waren (zie 5.4.1 tot en met 5.4.4). Deze stelling faalt derhalve.
5.11.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur eerder te veel dan te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
Historische nieuwprijs
5.12.
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat de Inspecteur de historische nieuwprijs op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De Inspecteur stelt primair dat deze stelling niet aan de orde komt in het geval het taxatierapport van belanghebbende niet bruikbaar is, omdat in dat geval de naheffingsaanslag op basis van de forfaitaire tabel dient te worden berekend, hetgeen zou resulteren in een hogere naheffingsaanslag. De Inspecteur stelt subsidiair dat de auto niet in enige koerslijst voorkomt en dat de auto een dusdanig andere CO2-uitstoot heeft dat uitgaan van enige koerslijst niet mogelijk is, zeker nu het verschil in CO2-uitstoot ruim 70 gram/km bedraagt (veel meer dan het verschil van 40 gram/km dat door koerslijstproviders wordt gehanteerd voor afgifte van een koerslijst). Belanghebbende heeft dit verschil en deze handelwijze van de koerslijstproviders niet betwist.
5.13.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. De auto komt niet voor in enige koerslijst en de bestaande koerslijsten gaan uit van Nederlandse modellen en uitvoeringen die niet exact overeen komen met het importvoertuig (de auto). Het ongewijzigd overnemen van de koerslijstwaarde is om deze reden al niet aan de orde. Hierbij komt nog het grote verschil (71 gram/km) in CO2-uitstoot. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de hogere CO2-uitstoot uitsluitend het gevolg is van een andere testmethode en niets heeft uit te staan met de voertuigeigenschappen, maar heeft dit verder niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dus dat ook koerslijstproviders een maximaal verschil van 40 gram/km hanteren als grens voor afgifte van een koerslijst. Dit betekent dat belanghebbende de koerslijstwaarde niet ongewijzigd kan overnemen.
5.14.
De auto komt niet voor in een koerslijst en dit betekent in beginsel dat belanghebbende gebruik kan maken van de taxatiemethode. Na verwerping van het taxatierapport en het rapport van DRZ ontbreekt echter iedere grondslag voor een betrouwbare waardevaststelling van de auto. Als enige wettelijke methode resteert dan de tabel. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
Slotsom
5.15.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.