ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4373
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
In deze civiele zaak vordert een gezin, bestaande uit een moeder, vader en vijf minderjarige kinderen, schadevergoeding van de Staat wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van hun aanvragen voor verblijfsvergunningen. De rechtbank had de Staat veroordeeld tot betaling van €18.000,- aan immateriële schadevergoeding, gebaseerd op een vergoeding van €500,- per half jaar overschrijding per persoon.
De Staat ging in hoger beroep tegen de hoogte van de schadevergoeding, stellende dat het bedrag niet simpelweg vermenigvuldigd mag worden met het aantal betrokkenen. Het hof oordeelt dat het beginsel van rechtszekerheid ook binnen de nationale rechtsorde geldt en dat overschrijding van de redelijke termijn in vreemdelingenprocedures als onrechtmatig handelen kwalificeert.
Het hof bevestigt dat immateriële schadevergoeding bij substantiële termijnoverschrijding toewijsbaar is, aansluitend bij jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De lotsverbondenheid van het gezin en de aard van de procedure rechtvaardigen dat elk gezinslid een vergoeding ontvangt. De grief van de Staat faalt en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, veroordeelt de Staat in de proceskosten en wijst de schadevergoeding toe.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de Staat tot betaling van €18.000,- immateriële schadevergoeding aan het gezin wegens overschrijding van de redelijke termijn.