ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9119
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad door Staat wegens overschrijding redelijke termijn bij aanvraag verblijfsvergunning
Eisers, bestaande uit een moeder, haar zes kinderen en hun vader, allen afkomstig uit Turkije, hebben jarenlang gewacht op een beslissing op hun aanvragen voor verblijfsvergunningen. De aanvragen dateren van eind jaren negentig en begin 2000, maar de definitieve besluiten werden pas in 2005 genomen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures in totaal ruim tweeënhalf jaar is overschreden voor de moeder en haar kinderen.
De rechtbank baseert haar oordeel op het rechtszekerheidsbeginsel en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die stelt dat een substantiële overschrijding van de redelijke termijn een onrechtmatige daad oplevert en aanleiding geeft tot immateriële schadevergoeding. De Staat heeft betoogd dat de verstrekte verblijfsvergunningen voldoende compensatie boden, maar dit verweer wordt verworpen.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade af omdat de norm niet strekt ter bescherming tegen vermogensschade. De immateriële schadevergoeding wordt vastgesteld op €3.000 per betrokkene, in totaal €18.000 voor zes personen. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag en de proceskosten. De overige vorderingen worden afgewezen.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €18.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij verblijfsvergunningaanvragen.