Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over 2005, gebaseerd op de veronderstelling dat de verkoop van een onroerende zaak in dat jaar had plaatsgevonden en dat het behaalde resultaat belastbaar was als resultaat uit overige werkzaamheden.
De rechtbank had de navorderingsaanslag gehandhaafd, maar belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof. Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat de verkoop van de onroerende zaak reeds in 2004 had plaatsgevonden, wat door de Inspecteur niet werd betwist. Hierdoor kon het resultaat in 2005 niet als belastbaar worden aangemerkt.
Het hof oordeelde dat de navordering niet mogelijk was omdat de Inspecteur de feiten die tot de aanslag leidden niet tijdig kende of redelijkerwijs had kunnen kennen. Daarnaast werd vastgesteld dat de Inspecteur niet had beslist op het verzoek om vergoeding van kosten van bezwaar, hetgeen het hof alsnog deed.
Het hof vernietigde de navorderingsaanslag, de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende.