Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2016;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 juli 2016;
- het nagezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 8 maart 2016, ingekomen ter griffie op 5 september 2016;
- de op 28 oktober 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen zittingsaantekeningen in het geding zijn gebracht; bij die gelegenheid zijn gehoord:
3.De beoordeling
ernstigeverwijtbaarheid van [media] . Het hof begrijpt dat het voor [appellante] (nog steeds haar lezing volgend) heel onbevredigend is dat op deze manier een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst met [media] , maar voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid in de zin van artikel 7:671b lid 8 onder c BW, moet een hoge lat worden aangelegd, zoals die hoge lat (zoals het hof inmiddels reeds meermaals heeft overwogen) ook geldt voor de ernstige verwijtbaarheid in de zin van de artikelen 7:671b lid 8 onder b en 7:673 lid 7 onder c BW. Het hof is van oordeel dat die lat niet is gehaald.