Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
.
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
Hof; 2.6.2] (..)) blijkt dat hij in jaren 2002 tot en met 2004 de inkoop van auto’s buiten Nederland en de doorverkoop van de betreffende auto’s in Nederland bewust niet in de aangiften omzetbelasting heeft aangegeven. Uit het strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende en de BV is gebleken dat [F] tot medio januari 2004 aan de BV heeft gefactureerd, dat eind 2003 een onderzoek naar [F] is begonnen en dat [F] daarna geen facturen meer aan de BV heeft gezonden. De eerste factuur van [LL] / [L] aan de BV, die in de administratie van de BV is aangetroffen, is van 3 april 2004 (uit: Overzichtproces-verbaal, dossiernummer [nummer 2] /code [codenummer 6] ). Uit de stukken blijkt ook dat zowel belanghebbende als [L] contact hadden met autohandelaar [K] die ook handelde in auto’s en in wiens administratie ook facturen zijn aangetroffen van [F] , [G] en [L] (..). (…)
Hof; HvJ EG 13 december 1989, Genius Holding B.V., C-342/87, BNB 1990/237], punten 54 tot en met 59).’
.
5.Beslissing
- vernietigtde uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de immateriële schade, van kosten van bezwaar, van de proceskosten en van het griffierecht;
- verklaarthet beroep bij de Rechtbank gegrond;
- vernietigtde uitspraak van de Ontvanger;
- verminderthet bedrag van de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 67.579 aan omzetbelasting en met het daarover aan heffingsrente in rekening gebrachte bedrag over de periode 10 december 2006 tot en met 10 december 2008;
- gelastdat de Ontvanger aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt;
- bepaaltdat van de Ontvanger ter zake van de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een bedrag aan griffierecht van € 503 wordt geheven;
- veroordeeltde Ontvanger in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.503; en
- veroordeeltde Staat (de Minister voor rechtsbescherming) tot vergoeding van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de heden in het openbaar gedane uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.