Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6198991 CV EXPL 17-6007)
2.Het geding in hoger beroep
- het tussenarrest van 26 juni 2018, waarbij een comparitie na aanbrengen is bepaald;
- het proces-verbaal van de op 10 september 2018 gehouden comparitie, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor doorhaling;
- het formulier H8, ingekomen ter griffie op 25 oktober 2018, houdende een verzoek van [geïntimeerde] tot hervatting van het geding;
- de memorie van grieven van 12 februari 2019;
- de memorie van antwoord van 26 maart 2019 met drie producties.
3.De beoordeling
- de wijze waarop [appellant] cliënten en medewerkers van Z.I.B. B.V. overgenomen heeft, beschouwd dient te worden als overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW Pro;
- [geïntimeerde] op het tijdstip van overgang, 6 maart 2017, van rechtswege als werkneemster in dienst kwam van [appellant] ;
- [appellant] deswege gehouden is aan [geïntimeerde] met ingang van 6 maart 2017 het haar toekomende loon naar een maandbedrag van € 3.800,00 bruto te voldoen alsmede de vakantiebijslag en overige emolumenten waarop de arbeidsovereenkomst [geïntimeerde] recht geeft, en wel tot het tijdstip van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.