Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.NV Waterleiding Maatschappij Limburg,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geintimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 20 november 2018;
- de akte zijdens [appellant] van 11 december 2018;
- de antwoordakte zijdens WML en [geintimeerde 2] van 19 februari 2019 met twee producties.
9.De verdere beoordeling
- Gebleken is dat [appellant] percelen te goedkoop heeft verkocht, dat hij niet bevoegd was tot die verkoop en dat hij niet ‘transparant’ heeft gehandeld. [appellant] heeft WML aldus opzettelijk dan wel bewust roekeloos schade berokkend (r.o. 3.1-3.3). Hieruit volgt dat WML niet onrechtmatig heeft gehandeld en dus [geintimeerde 2] als leidinggevende ook niet. Het onder I gevorderde moet daarom worden afgewezen (r.o. 3.4).
- Omdat WML en [geintimeerde 2] niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld, komt ook het onder IV gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking. Het gevorderde onder V komt niet voor toewijzing in aanmerking nu wel sprake is geweest van een verwijtbaar onjuiste vastgoedtransactie (r.o. 3.7, 3.8). WML heeft op goede grond beslag laten leggen, zodat ook de onder VI gevorderde opheffing daarvan niet toewijsbaar is (r.o. 3.9).
- Voor zover de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn gebleken, rechtvaardigen zij geen veroordeling van WML en [geintimeerde 2] tot vergoeding van de reëel gemaakte advocaatkosten.