Uitspraak
1.de vennootschap onder firma [de V.O.F.] ,
[beherend vennoot 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[beherend vennoot 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[beherend vennoot 3], wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en een productie, ingekomen ter griffie op 17 juli 2019;
- een brief van [appellant] van 14 augustus 2019 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 24 april 2018;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2019;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 16 september 2019;
3.De beoordeling
“(…) Op de vraag of [verweerder] leveranciers onder druk heeft gezet als hij geen korting kreeg zeg ik dat dat zo met mij besproken is althans wij voelden dat zo. Met name in de toekomst ging het ons erom dat de leverantie van onze producten gewaarborgd zou zijn. Een paar jaar geleden ging het slecht in de bouw en konden we de verkoop van elke kuub goed gebruiken. Het werd mij zo gevraagd door [roepnaam] zelf om beton te komen brengen naar zijn woonhuis. Hij vroeg mij om het beton goedkoop genoeg te houden om zo zijn voordeel te hebben, [roepnaam] was toen enkele jaren voor ons aanspreekpunt voor de verkoop van beton bij [appellant] . Ik heb toen toegestemd omdat het maar een paar wagentjes waren. (…) Het voordeel betrof een paar procent ten opzichte van de inkoopsprijs van [appellant] , ongeveer 3 procent. Dat was zodanig dat wij er niet meer aan verdienden. (…) ”
“(…) heeft [appellant] alleen gewezen op de getuigenverklaring van de heer [getuige 4] . Met zoveel woorden is er niet over speciale of onoorbare druk als zodanig gesproken. De getuigen spreekt over een gevoelen in dat verband maar niet miskend kan worden dat [verweerder] de/een contactpersoon voor [appellant] c.s. was en dat sprake was van commerciële onderhandelingen.”
“Wij hebben gebouwd in 2013 een woonhuis waarbij de bekisting door [appellant] werd geleverd met betrekking tot de kelder. Dat is in overleg met [verweerder] gegaan. Het bedrag van € 500, voor de huur van de bekisting zou ik betalen, maar [verweerder] zei dat dat niet zo spannend was en dat hij dan liever had dat ik de naam van [appellant] naar voren schoof als het ging om opdrachten. Ik had in de jaren 2014-2017 veel te maken met bouwers van stallen in mijn klantenkring. Ik heb toen in ongeveer vijftien gevallen [appellant] meegenomen als één van de opties als aannemer van de bouw. Ik ken [appellant] als een goed aannemersbedrijf, zowel qua kwaliteit als offerte. Ik heb [appellant] meegenomen ook om daar [verweerder] een stukje in tegemoet te komen. Het was de boer zelf die besliste. [verweerder] had gezegd dat het [appellant] wel € 1000,- per stal waard zou zijn. Uiteindelijk zijn er vijf bedrijven die voor [appellant] gekozen hebben. Ik keek op het einde wel of er een betaling zou komen. Ik heb het er alleen met [verweerder] over gehad. Ik ging ervan uit dat dat in overleg met [appellant] gedaan zou zijn. U noemt het woord "smeergeld" en dat is een apart woord. Ik zie het als vergoeding voor de extra tijd die ik erin stak om [appellant] voor te houden als mogelijke aannemer. De boer besliste uiteindelijk zelf. Ik heb buiten het bedrag van € 500,- voor die bekisting nooit geld ontvangen van [appellant] of [verweerder] . Ik ging ervan uit dat het geld wel zou komen maar dat is nooit gebeurd. Ik neem aan dat dat te maken kan hebben met dit proces. (…) ”
“(…) Inhoudelijk weet ik er niets van of [verweerder] ten behoeve van zijn eigen woonhuis bouwmaterialen kocht bij [kwestie 2] en de factuur op zijn naam liet zetten. Ik weet wel dat ik isolatiemateriaal via [verweerder] bij [kwestie 2] heb besteld. Die is bij mij gelost. Mij werd gezegd dat ik daarna [verweerder] moest bellen omdat er ook nog in [plaats 1] gelost moest worden. [verweerder] was de uitvoerder van de loods die ik door [appellant] heb laten bouwen. De isolatie betrof vloerisolatie voor die loods waarover ik het zojuist had. Ik had van [verweerder] te horen gekregen dat ik hem moest bellen als gelost was bij mij en dan zou de vrachtwagen naar de kerk in [plaats 2] moeten rijden. [verweerder] zou daar staan en de vrachtwagen voorrijden naar [plaats 1] . Ik weet verder niet waarvoor dat was. (…) Ik weet niet of [verweerder] zelf iets gekocht heeft bij [kwestie 2] . Ik weet wel dat het een gezamenlijke bestelling zou zijn, voor hem en voor mij. Ik weet niet of het gedeelte voor hem privé was of voor [appellant] . Ik heb niet de factuur gezien van [kwestie 2] voor [verweerder] . Mij wordt voorgehouden een factuur van [kwestie 2] die ook als productie 12 is gevoegd bij het verzoekschrift. Ik heb die factuur nooit gezien en heb alleen van [appellant] rechtstreeks een factuur gehad. (…)”
“(…) Mij wordt gevraagd of er een naam staat boven de naam van [getuige 2] en dat is niet zo. Op deze manier is het niet duidelijk waar het geloste blijft. Als het bij ons op de werf gelost moet worden, staat dat daar. Het komt nooit voor dat op die plaats niets staat. [verweerder] heeft dat zo doorgegeven aan de fabriek. Op de vraag of het dan als voorraad wordt geboekt, zeg ik dat het niet zo is. Het kan niet geboekt worden op deze manier omdat het niet op werk kan worden weggeboekt. Als het voorraad is, staat het op magazijn en dan weet iedereen waar het is. [verweerder] heeft het niet aan mij en ook niet aan mijn broer gemeld dat dat hij deze goederen heeft laten bezorgen. Het is geboekt uiteindelijk op aan [verweerder] geleverde goederen. Ik ben blijven zoeken omdat het ergens geboekt moet worden en kwam er zo achter dat het via het telefoonnummer van [verweerder] bij hem terecht gekomen was. De factuur is afgetekend door [verweerder] doordat hij er een pootje onder heeft gezet. Mij wordt getoond de factuur die zojuist is overgelegd. Ik wijs de letter en de punt die daaronder staan, als het pootje van [verweerder] . Het vervelende was dat hij zijn eigen facturen zelf aftekende zodat ik er achteraan moest. (…)”
“Ik kreeg op een gegeven moment een rekening voor PVC-materiaal dat ik niet afgehaald had bij [appellant] . Ik was een loods aan het bouwen. Ik ga daar wel eens vaker heen om materiaal af te halen. Bij deze rekening moest ik even nadenken. Er zaten een paar maanden tussen. Ik had dat materiaal echter niet afgehaald. [appellant] was indertijd een loods voor mij aan het bouwen en [verweerder] begeleidde dat. Het komt wel voor dat ikzelf iets dan ga halen bij [appellant] of dat iemand dat voor mij doet. In grote lijnen is het zo dat [appellant] het materiaal bij de bouw brengt maar soms wordt dat, als dat kleine materialen betreft, door mij of een ander opgehaald. Ik heb denk ik daags erop met [naam] gebeld dat ik dat materiaal niet gekregen heb en dat is later gecrediteerd. Ik heb het daar nooit met [verweerder] over gehad. Ik weet verder niet hoe het met het materiaal gegaan is dat op die rekening stond.”
“(…) [verweerder] pakte materiaal uit het magazijn. Ik vroeg voor wie dat was, en hij zei: ‘Voor [kwestie 3] .” Toen [kwestie 3] de factuur kreeg. zei hij tegen ons en ook tegen mij dat hij dat materiaal niet gekregen had. Ik had bijgehouden welk materiaal het was en begreep toen dat het voor de eigen bouw van [verweerder] was. Zo deed hij dat. Ik heb het met hem zelf er niet over gehad. (…)”
“(…) Ik heb er eigenlijk geen idee van waar het geval van [kwestie 3] over gaat. Het gaat ook om een verwaarloosbaar bedrag van 24 euro. Het wordt uitgelegd alsof mensen het niet besteld hadden. Ik heb het niet gehad. Ik weet ook niet wat ermee gebeurd is. Ik heb het ook niet gefactureerd. Het is niet naar mij toegegaan. (…)”
“heeft dit materiaal nooit gehad. moet nog een credit naar toe”.