Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6344844 CV EXPL 17-7281)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
- het proces-verbaal van de op 11 november 2020 gehouden comparitiezitting, waarbij [werkgever] spreekaantekeningen in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
Hetero-anamnese echtgenote:
- [werknemer] is die ochtend tweemaal bij de bedrijfsarts geweest voor een inenting. Toen hij de eerste keer vóór de lunch zag dat er een aantal wachtenden was heeft hij tegen de bedrijfsarts gezegd dat hij later wel terug zou komen, hetgeen hij direct na zijn lunch om 12:00 uur heeft gedaan;
- [collega 3] heeft geconstateerd dat [werknemer] even na 11 uur zwalkend over straat liep en dat koppelde aan door hem verondersteld drankgebruik van [werknemer] tijdens een feestje dat hij de avond tevoren zou hebben gehad;
- Ten tijde van het naar huis sturen was sprake van een situatie waarin het absoluut onverantwoord was om een werknemer zonder voorafgaand medisch onderzoek en zonder begeleiding naar huis te sturen;
- Niet juist is dat [direct leidinggevende] rond 13:15 uur heeft gebeld met [werknemer] en evenmin dat [werknemer] ook meteen de telefoon heeft opgenomen.
tijdensde uitoefening van de werkzaamheden opgetreden maar niet
inde uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW Pro. Het hof is daarom van oordeel dat artikel 7:658 BW Pro in deze situatie toepassing mist. Het enkele feit dat [werknemer] de beroerte (ook) op het werk zou hebben gehad, zoals [werknemer] stelt, is daartoe onvoldoende.
Ik begreep van de doktersassistente dat de heer [werknemer] tijdens het eten op het werk wat afwezig was en niet goed uit zijn woorden kon komen”.
Verder neemt het hof in aanmerking dat [collega 3] en [direct leidinggevende] noch aan [echtgenote] , noch aan de bedrijfsarts melding hebben gemaakt van zwalkend lopen en dat dit (dus) ook niet staat vermeld in het SEH-formulier. Ook de bedrijfsarts, waar [werknemer] naar eigen zeggen vlak daarvoor nog was geweest, heeft verklaard dat haar tijdens het bezoek van [werknemer] niets bijzonders opviel, [werknemer] normaal binnenkwam, normaal communiceerde en zijn arm vrijmaakte voor de vaccinatie.
Of [werknemer] eenmaal of tweemaal naar de bedrijfsarts is geweest acht het hof gezien het voorgaande voor de beoordeling niet van belang.