Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het eerdere verloop van de procedure
2.Het geding na verwijzing
- het exploot van oproeping van 13 april 2018;
- de memorie na verwijzing van [appellante] ;
- de antwoordmemorie na verwijzing van de Gemeente;
3.De beoordeling
“Van enkele bedrijfsterreinen moet worden bezien of ze verbeterd zullen worden, dan wel mettertijd onder de dominantie van een andere bestemming dienen te worden gebracht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de terreinen aan (...) de [adres] . (...) De verdere ontwikkeling van dit en de andere terreinen zal daarom moeten worden gerelateerd aan het instandhouden of verbeteren van de woonkwaliteit in het gebied.”
“Bij mijn bezoek aan u op 27 juni 1990 heeft u meegedeeld af te zien van het verplaatsen van uw bedrijf. Als reden hiervoor heeft u aangegeven dat de verplaatsingskosten dermate hoog zijn dat u geen kans ziet de financiering rond te krijgen. (...) U heeft tevens aangegeven dat u zich momenteel richt op het treffen van voorzieningen om te voldoen aan de eisen die de provincie stelt aan uw huidige locatie aan de [adres] .”
“Naar aanleiding van het gesprek van 17 oktober jl. tussen u en de heer [medewerker van de afdeling Vastgoed] van de afdeling Vastgoed bevestigen wij, zoals met u is afgesproken, hierbij in hoofdlijnen de inhoud van dit gesprek.Van gemeentezijde is aangegeven, dat thans in overleg met de provincie een studie wordt verricht naar de mogelijkheden tot het verbreden/ophogen van de [de brug] . Naar schatting zal deze studie circa één jaar gaan vergen alvorens helderheid kan worden gegeven omtrent het al of niet kunnen verbreden/ophogen van deze brug. Mocht een en ander doorgaan dan zullen wij de eventuele consequenties van deze verbreding/ophoging voor uw bedrijfsvoering nader met u bespreken. Wellicht dat bedrijfsverplaatsing in beeld komt.Van uw zijde is aangegeven het resultaat van de studie af te wachten. In het kader hiervan bent u bereid te wachten met het verrichten van investeringen in uw bedrijf. De heer [medewerker van de afdeling Vastgoed] heeft aangegeven dat het in zijn algemeenheid bij aankopen usance is dat verrichte investeringen, voorzover noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering, financieel worden verdisconteerd in de uit te betalen schadeloosstelling.”
Voor alle duidelijkheid: de huidige locatie voldoet uitstekend, en normaal gesproken zouden wij een verplaatsing niet overwegen. Maar als er een goed alternatief voorhanden is en een goede compensatieregeling, dan zijn wij bereid plaats te maken voor andere ontwikkelingen.”
“Verplaatsing [appellante] : nu of nooit?”(prod. e [appellante] ) staan onder andere de volgende passages:
“Al meer dan 10 jaar wordt om uiteenlopende redenen met de heer [de directeur van appellante] gesproken over een mogelijke verplaatsing van [appellante] , gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats 1] . (...) Als gevolg van de investeringsbehoefte van [appellante] zelf zullen op korte termijn acties ondernomen moeten worden met betrekking tot verplaatsing van het bedrijf voordat het te laat is (waarbij reeds gedane investeringen mogelijk gecompenseerd dienen te worden). Het is dus nu of nooit!(...)Gelet op de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van [appellante] zelf alsmede de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied gezien vanuit de gemeente/provincie (...) is er veel aan gelegen te verplaatsen en een goede alternatieve locatie te vinden. Dat betekent enerzijds het zoeken en aanwijzen van een alternatief. Anderzijds moeten we op korte termijn geen acties ondernemen (als gevolg van de investeringsbehoefte van [appellante] ), die uiteindelijk verplaatsen onmogelijk maken.”
“Alternatieve locaties [appellante] Schroot”van de afdeling Beleidsontwikkeling van 9 december 1999 (prod. g [appellante] ) staat:
“Overwegingen om over te gaan tot verplaatsing van het bedrijf:1. De provincie wil ter plaatse van het Van Starkenborghkanaal verbreden.2. De gemeente wil de brug/viaduct verbreden om de binnenstedelijke locatie [locatie] beter te kunnen ontsluiten.3. Binnen de huidige zonering van [appellante] wil de gemeente woningbouw realiseren, de aanwezigheid van het bedrijf frustreert deze mogelijkheden.4. Het aangezicht van het bedrijf op deze aanrijroute naar het centrum mag als minder fraai worden ervaren.
5. De op korte termijn door [appellante] te verrichten investeringen, een en ander in verband met aangescherpte milieuvoorschriften, zullen bij een eventuele later[e] aankoop gecompenseerd moeten worden.”
“De vergadering van 16-11-2000 heeft als doel deze eenduidigheid van uitgangspunten ook m.b.t. bedrijfsverplaatsing te realiseren. Nu lopen uitgangspunten, bedragen, zienswijzen e.d. van gemeente (neergelegd in PVB-rapport van dhr. [expert] ) en [appellante] (geadviseerd door Het Raadhuis en [adviseur] ) nog te ver uiteen.(…)2° Wordt rekening gehouden met het feit dat [appellante] m.b.t. onderhoud, aanpassingen e.d. gedurende 12 jaar bepaalde investeringen niet heeft kunnen doen vanwege actuele dreiging van bedrijfsverplaatsing. Het achterwege blijven van bepaalde doorinvesteringen hebben met bovenstaande te maken. De afgelopen periode van 12 jaar is [appellante] Schroot voortdurend geconfronteerd geweest met een mogelijke bedrijfsverplaatsing waardoor investeringen zijn uitgesteld en het bedrijf bovendien schade ondervond bij haar bedrijfsuitvoering. A.g.v. de hierboven omschreven overmacht is het dan ook niet reëel om veroudering van bep. bedrijfsonderdelen als zodanig mee te laten wegen in de waardebepaling.”
“Meer dan een jaar geleden heeft het college, op basis van de notitie " [appellante] verplaatsen, nu of nooit" besloten onderhandelingen te starten teneinde [appellante] te verplaatsen (naar een locatie aan [nieuwe locatie] , de zgn. hondenclublocatie). Inmiddels meer dan een jaar en talloze gesprekken en onderzoeken verder een moment om de balans op te maken. (...) Twee aspecten verdienen met name de aandacht:- het (nog steeds) grote verschil tussen wat [appellante] denkt dat de 1 op 1 vervanging (onteigeningswet) moet gaan kosten en wat de gemeente denkt (ruim 20 miljoen gulden vs ca 8 miljoen);- het feit dat de hondenclubs een jaar geleden de huur is opgezegd en dat hier eigenlijk een vervolg aan gegeven moet worden, hetgeen echter onnozel is te doen als [appellante] niet 100% zeker richting de [nieuwe locatie] vertrekt.”
“ Bij het sluiten van deze overeenkomst hebben [appellante] en de Gemeente in aanmerking genomen:(...)7. [appellante] stelt zich daarenboven op het standpunt dat de Gemeente aansprakelijk is jegens [appellante] ,, omdat de Gemeente [appellante] vanaf begin jaren '80 onrechtmatig zou hebben belemmerd in de uitoefening en de ontwikkeling van haar huidige onderneming op en nabij de [adres] te [vestigingsplaats 1] . De Gemeente betwist zulks. Partijen zijn overeengekomen ook dat [appellante] ook geschil door arbitrage kan doen beslechten.[appellante]en de Gemeente zijn het navolgende overeengekomen:Artikel 1: Wat Pro behoort tot deze overeenkomst; definities:(...)Arbitrageprocedure 2: De des door [appellante] gewenst vòòr 1 mei 2002 in gang te zetten arbitrageprocedure wegens beweerdelijk door de Gemeente onrechtmatig handelen jegens [appellante] , omdat de Gemeente [appellante] vanaf begin jaren '80 onrechtmatig zou hebben belemmerd in de uitoefening en ontwikkeling van de onderneming.”
“Bij het sluiten van deze nadere overeenkomst hebben [appellante] en de Gemeente in aanmerking genomen:1. [appellante] en de Gemeente hebben, gedagtekend juni 2002, een overeenkomst gesloten (hierna te noemen "de Overeenkomst"). (...)2. In de Overeenkomst waren o.a. aan het gegeven, dat op 1 juli 2003 derden nog zodanige rechten en aanspraken zouden mogen hebben, dat de Gemeente de verplichtingen uit hoofde van artikel 2 van Pro de Overeenkomst niet zou kunnen nakomen, en dat [appellante] niet op 1 juli 2003 over de benodigde bruikbare vergunningen en ontheffingen zou beschikken om de door haar beoogde nieuwbouw voor haar onderneming op de Winschoterdiep locatie te realiseren en die vervolgens te exploiteren, consequenties verbonden.3. Partijen zijn te rade geworden om, in verband met het gepasseerd zijn van de eerste juli 2003 terwijl de hiervoor sub 2 genoemde omstandigheden zich voordoen, deze nadere overeenkomst te sluiten, die ook nog enige andere afspraken tussen partijen bevat.Zijn overeengekomen als volgt:(...)Artikel 3Bij deze nadere overeenkomst is overigens het bepaalde in de Overeenkomst van toepassing. Het overeengekomene in de artikel 1 t/m 3 geschiedt in aanvulling en gedeeltelijke afwijking op het bepaalde in de Overeenkomst. Bij strijd tussen het bepaalde in deze nadere overeenkomst en de Overeenkomst gaat het bepaalde in deze nadere overeenkomst voor.”
“In het kader van de arbitrageprocedure (1) is al aangegeven dat naast dit geschil, cliënte mogelijk nog aanvullende schade heeft geleden als gevolg van alle vertraging welke is opgetreden door de handelwijze van de Gemeente. Toentertijd was nog niet duidelijk of daadwerkelijk sprake was van schade en zo ja, de omvang daarvan.Cliënte heeft vervolgens prof. dr. [deskundige aan de zijde van appellante] verzocht een onderzoek te doen. Prof. [deskundige aan de zijde van appellante] heeft inmiddels zijn rapport afgerond. Hieruit blijkt dat inderdaad sprake is van schade, welke schade het gevolg is van de handelwijze van de Gemeente. Cliënte houdt u voor deze schade aansprakelijk.”
‘De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW Pro). Deze schriftelijke mededeling moet de strekking hebben van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar, zodat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee kan houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642, rov. 3.3). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW Pro gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (zie HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439, rov. 3.6.2).’
“(…) aldus in de schaduw van een mogelijk vertrek reeds schade opliep en oploopt. (…) Het moge duidelijk zijn dat cliënte reeds schade heeft geleden (..) en terzake reserveer ik mij haar rechten uitdrukkelijk.”Voor de aanvang van de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding is voorts niet vereist dat de omvang van de schade al volledig is vastgesteld.
‘dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn dat een schuldenaar die – voordat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro is voltooid – met een schuldeiser in onderhandeling treedt, zich tegenover deze erop beroept dat op enig tijdstip gedurende de onderhandelingen deze termijn is voltooid’. De Hoge Raad overwoog in voormeld arrest verder dat
‘in een zodanig geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen te rekenen van het ogenblik waarop de onderhandelingen worden afgebroken’. De Hoge Raad kwam tot dat oordeel na voorop te hebben gesteld dat, naar tussen partijen niet ter discussie staat, (afgezien van het bepaalde in art. 10 lid 5 WAM Pro) het voeren van schikkingsonderhandelingen naar Nederlands recht als zodanig niet tot stuiting van de verjaring leidt.
heeft getrachtoverleg te voeren, dat zij in de loop der jaren diverse malen overleg heeft gevoerd met verantwoordelijke wethouders maar dat het probleem was dat deze – na een eerste welwillende houding – uiteindelijk door de verantwoordelijke Dienst (RO/EZ) van de gemeente werden ‘teruggefloten’. Specifieke data of jaren zijn in dit verband door [appellante] overigens niet genoemd. In de memorie van grieven (alinea 7) stelt [appellante] dat de partijen in de periode na het arbitraal vonnis van 5 juli 2005 over de resterende schade hebben gesproken, dat in dat kader overleg heeft plaatsgevonden tussen [de directeur van appellante] en wethouder [toenmalige wethouder] en dat, omdat sprake bleef van een tegenwerkende houding (met name op ambtelijk niveau) van de gemeente, wethouder [toenmalige wethouder] heeft voorgesteld om prof. [deskundige aan de zijde van appellante] in te schakelen om te rapporteren over de gevolgen van de vertraging zijdens de Gemeente voor het bedrijf. Bij het pleidooi in eerste aanleg heeft mr. Gans, in aanvulling op alinea 11 van de pleitnota van [appellante] , verklaard (p-v pleidooizitting 5 februari 2015) dat wethouder [toenmalige wethouder] bij de opening van (de nieuwe vestiging van) het bedrijf van [appellante] aanwezig was en dat [de directeur van appellante] en [toenmalige wethouder] toen hebben gesproken over ‘arbitrageprocedure 2’. Volgens mr. Gans is toen afgesproken dat een rapportage zou worden opgemaakt waarvoor prof. [deskundige aan de zijde van appellante] later is ingeschakeld. Onder 22 van de dagvaarding in eerste aanleg stelde [appellante] verder dat prof. [deskundige aan de zijde van appellante] bij zijn onderzoek heeft getracht in overleg te komen met de Gemeente, hetgeen niet mogelijk bleek.
“De opdracht is met nadruknietgericht op de juridische aspecten van de bedrijfsverplaatsing (eventuele aansprakelijkheden)”.De Gemeente heeft, gezien de onderzoeksopdracht, in de klachten van [appellante] over haar bestuurlijk handelen aanleiding gezien dat handelen ter toetsing en evaluatie aan een onafhankelijke derde voor te leggen. Enige verdere strekking kan aan die opdracht niet worden toegekend. Ook indien de Gemeente aldus nog een welwillende houding jegens [appellante] heeft willen innemen en een poging van [appellante] om tot een compromis niet direct heeft afgekapt, is dat geen omstandigheid die het onaanvaardbaar zou doen zijn dat de Gemeente in een volgend rechtsgeding de vordering van [appellante] (alsnog) met een beroep op verjaring bestrijdt.