Het geschil betreft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2013 en 2014, waarbij belanghebbende bezwaar maakte tegen de aanslagen en de daarbij behorende belastingrentebeschikkingen. De bezwaren werden door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks de door belanghebbende opgevoerde lichamelijke problemen. De werkzaamheden die belanghebbende als zorgverlener voor zijn echtgenote verrichtte, zijn belastbaar als resultaat uit overige werkzaamheden. De door het zorgkantoor gerapporteerde bedragen zijn als uitbetaald aan belanghebbende aangemerkt, en belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd voor het tegendeel.
Verder zijn de door belanghebbende opgevoerde kostenposten, zoals verlof- en compensatieuren en uitgaven voor de budgethouder, niet aftrekbaar omdat deze niet als daadwerkelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat belanghebbende redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de informatie op de Belastingdienstwebsite niet op hem van toepassing was. Ook het bezwaar tegen het gehanteerde belastingrentepercentage van 4% wordt verworpen, aangezien dit wettelijk is voorgeschreven.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.