Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/257296 / HA ZA 18-575)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met producties;
- de memorie van grieven met producties;
- de akte rectificatie van de zijde van de vrouw;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
tussenvonnis van 4 september 2019heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de, voor de taxatie van de voormalige echtelijke woning te benoemen makelaar. Daarnaast is de man in de gelegenheid gesteld bij akte een overzicht te verstrekken van mutaties van de rekening-courantschuld van partijen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 juni 2014. De vrouw is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen in reactie op de door de man te nemen laatstgenoemde akte.
tussenvonnis van 24 december 2019heeft de rechtbank een deskundige benoemd teneinde de waarde van de voormalige echtelijke woning te taxeren. In rov. 2.9. heeft de rechtbank volhardt in haar oordeel dat zal worden uitgegaan van het saldo van de rekening-courantschuld per 13 juni 2014.
eindvonnis van 22 juli 2020heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang) de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen als volgt vastgesteld:
vrouwheeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 4 september 2019, 24 december 2019 en 22 juli 2020 van de rechtbank Limburg en, opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- haar aandeel in de woning (grief 1);
- de peildatum voor de waardering van de waarde van de woning (voorwaardelijke grief 2);
- de rekening-courantschuld (grief 3);
- de waarde van de woning (grief 4).
manheeft de grieven bestreden. Daarnaast heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft als volgt geconcludeerd.
principaal hoger beroep:
incidenteel hoger beroep:
- de verdeling van het aandeel in de woning;
- de verdeling van de nalatenschap van de moeder van de vrouw;
- de waarde van stamrechtaanspraak (althans de belastingslatentie);
- de draagplicht voor de rekening-courantschuld
principaal hoger beroepen
incidenteel hoger beroep:
- de belastinglatentie vanwege de stamrechtaanspraak (grief 1);
- de rekening-courantschuld (grief 2);
- de verjaring van het vergoedingsrecht vrouw (grief 3)
vrouwheeft haar grief als volgt toegelicht.
a) bedoeling van partijen
manheeft de grief weersproken.
a) bedoeling van partijen
hofoverweegt als volgt.
De verdeling van een nalatenschap is onder het huidige recht (zoals elke verdeling) een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen (deelgenoten) die tot levering verplicht. In die rechtshandeling kan mede een andere rechtshandeling besloten liggen, zoals een schenking van een deelgenoot aan een andere deelgenoot, aan welke schenking de voorwaarde kan worden verbonden dat hetgeen wordt verkregen buiten enige huwelijksgemeenschap zal vallen (art. 3:38 lid 1 BW Pro en art. 1:94 lid Pro 2, onder a, BW). Art. 3:186 lid 2 BW Pro staat daaraan niet in de weg.
Dat is niet anders indien het de verdeling betreft van een nalatenschap waaraan de erflater geen uitsluitingsclausule heeft verbonden. Die bepaling houdt immers niet meer in dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel (waaronder begrepen: titels, zie voor een voorbeeld Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1298) als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.”
“Gelet op het voorgaande heeft het hof zijn vaststelling dat de koopsom voor het perceel voor meer dan de helft ten laste van het privévermogen van de man is gekomen terecht het rechtsgevolg verbonden dat het perceel geen deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en om die reden niet voor verdeling in aanmerking komt.”
rechtbankoverwoog:
vrouwheeft haar grief als volgt toegelicht.
manheeft de grief weersproken.
hofoverweegt als volgt.
mankomt er op neer dat de rechtbank bij de toedeling van de woning aan de vrouw ten onrechte rekening heeft gehouden met een vergoedingsrecht van haar op de gemeenschap van € 28.000,--.
vrouwheeft de grief bestreden.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankoverwoog:
vrouwheeft haar grief als volgt toegelicht.
manheeft de grief weersproken. Met zijn incidentele grief 2 heeft hij betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verhoging van de rekening-courantschuld na 13 juni 2014 niet leidt tot een verhoging van de draagplicht van de vrouw.
primairdat het redelijk is ook de rekening-courantschuld per die datum in de verdeling te betrekken.
vrouwheeft de incidentele grief (die gelijkluidend is aan het verweer van de man tegen grief 2 van de vrouw) bestreden.
hofstelt vast dat tussen partijen in geschil is of zij ieder draagplichtig zijn voor de hoogte van de rekening-courantschuld i) op 13 juni 2014 en ii) na 13 juni 2014.
mandat de rechtbank ten onrechte in rov. 4.11 van het vonnis van 4 september 2019 het standpunt van de vrouw over de latente belastingdruk heeft gevolgd en daardoor de stamrechtaanspraak aan de man heeft toegedeeld voor een waarde van € 77.616,-- (€ 95.527,-- minus 18,75%). Hij heeft zijn grief als volgt toegelicht.
vrouwheeft de grief weersproken.
hofoverweegt als volgt.