Belanghebbende, een Belgische ingezetene die sinds 2008 in Nederland woont, was in 2012 premieplichtig voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw). Hij had een ontheffingsverzoek bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) ingediend, maar dit werd pas in 2014 toegekend met terugwerkende kracht vanaf de datum van ontvangst, niet vanaf 2012.
De Inspecteur legde een aanslag op voor de premie volksverzekeringen over 2012, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende op grond van ingezetenschap premieplichtig was en dat de Svb exclusief bevoegd is voor ontheffing. De rechtbank verwierp het beroep op redelijkheid en billijkheid en het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep handhaafde het hof deze beoordeling. Het hof benadrukte dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Inspecteur of Svb toezeggingen had gedaan die vertrouwen konden wekken. Ook het beroep op de menselijke maat faalde omdat de wettelijke bepalingen correct waren toegepast. Het hof bevestigde de premieplicht en de aanslag inclusief belastingrente, en wees op de mogelijkheid voor belanghebbende om bij de Svb een hernieuwd verzoek te doen bij onbillijkheden van overwegende aard.