Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 20 mei 2022;
- een kopie van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, ingekomen op 16 juni 2022;
- het verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2022;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2022;
- de op 18 augustus 2022 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
3.De beoordeling
- de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever 1] of, indien de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2022 is voortgezet door [werkgever 2] , de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever 2] te ontbinden en het einde van de arbeidsovereenkomst primair te bepalen met inachtneming van de voor de werkgever geldende wettelijke opzegtermijn van vier maanden en subsidiair op 31 maart 2022 en meer subsidiair op het eerst mogelijke moment met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van één maand voor [werknemer] ;
- indien de wettelijke opzegtermijn van vier maanden niet wordt verdisconteerd in de termijn waarop de arbeidsovereenkomst met [werkgever 2] wordt ontbonden, [werkgever 1] te veroordelen tot betaling van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren;
- [werkgever 1] en [werkgever 2] hoofdelijk, althans de één en/of de ander, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te voldoen de wettelijke transitievergoeding van € 41.785,20 bruto;
- [werkgever 1] en [werkgever 2] hoofdelijk, althans de één en/of de ander, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [werknemer] te voldoen een billijke vergoeding althans schadevergoeding van € 75.000,00 bruto, vermeerderd met een vergoeding van
- [werkgever 1] en [werkgever 2] hoofdelijk, althans de één en/of de ander, te veroordelen in de proceskosten.
- een vergoeding aan [werknemer] ter hoogte van het loon over de opzegtermijn die niet in acht is genomen ten bedrage van € 22.727,04 bruto;
- de transitievergoeding aan [werknemer] ten bedrage van € 41.785,20 bruto;
- de billijke vergoeding aan [werknemer] ten bedrage van € 14.000,00 bruto;
- de proceskosten, aan de zijde van [werknemer] tot op de datum van de beschikking begroot op € 1.254,00;
- alsnog de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever 1] of inmiddels – indien het hof van oordeel is dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden - met [werkgever 2] te ontbinden en het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen met inachtneming van de voor de werkgever geldende opzegtermijn van vier maanden;
- alsnog [werkgever 1] en [werkgever 2] hoofdelijk, dan wel de één of de ander, te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [werknemer] van € 75.000,00 en te bepalen dat het om netto bedragen gaat voor zover daarin immateriële schade en/of advocaatkosten worden vergoed;
- alsnog [werkgever 1] en [werkgever 2] hoofdelijk, dan wel de één of de ander, te veroordelen in de volledige kosten van het incidenteel hoger beroep.
overgangworden verstaan ‘de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt’ en moet onder
economische eenheidworden verstaan ‘een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit’.
PbEG17 juli 1998, L 201/88) en is gecodificeerd in Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001 (
PbEG22 maart 2001, L 82/16; hierna: de richtlijn). De wettelijke regeling moet derhalve zoveel mogelijk in overeenstemming met de inhoud en de strekking van de richtlijn worden uitgelegd.