Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 13 juni 2022;
- het verweerschrift met producties en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, alsmede (met een separaat document) het beroepschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 7 februari 2023;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging, ingekomen ter griffie op 2 maart 2023;
- een van de zijde van [de werknemer] nagestuurde productie nummer 34, ingekomen ter griffie op 3 maart 2023;
3.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
misbruik hebt gemaakt van de verschafte vrijheden door [de werkgever] , waardoor je het vertrouwen van [de werkgever] onwaardig bent geworden; en
grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst aan jou oplegt, nu wij samen duidelijke (schriftelijke) afspraken hebben gemankt over het uitvoeren van nevenwerkzaamheden en op welke dagen dit is toegestaan; en
misbruik hebt gemaakt van de wetgeving rondom arbeidsongeschikt, door je ziek te melden, om vervolgens op werkdagen van [de werkgever] nevenwerkzaamheden te verrichten, waardoor je het vertrouwen van [de werkgever] onwaardig bent geworden; en
je schuldig hebt gemaakt aan bedrog, door je manager herhaaldelijk aan te geven dat je volledig arbeidsongeschikt was, terwijl je op werkdagen van [de werkgever] werkzaamheden voor je eigen bedrijf aan het verrichten was, waardoor je het vertrouwen van [de werkgever] onwaardig bent geworden.
“Wij hebben (…) en ook alle omstandigheden van het geval afgewogen”, is daartoe onvoldoende, omdat niet blijkt welke omstandigheden [de werkgever] daarmee op het oog heeft gehad. Zijn functioneren is ook niet tijdens het op 7 oktober 2021 gevoerde gesprek aan de orde geweest. Dat dit voor [de werkgever] een omstandigheid is geweest die zij heeft betrokken in haar besluitvorming, wil niet zeggen dat dit voor [de werknemer] duidelijk is geweest. Volgens het door [de werkgever] zelf opgemaakte verslag van het gesprek op 7 oktober 2021 is dit niet aan de orde geweest. Uit het verslag van [leidinggevende] blijkt wel dat hij dit van belang heeft gevonden, maar blijkt niet dat dit is besproken met [de werknemer] . Nu [de werkgever] niet heeft aangevoerd dat dit is besproken met [de werknemer] op 7 oktober 2021 en ook uit de ontslagbrief niet blijkt dat dit voor [de werkgever] een onderdeel was van de reden om [de werknemer] te ontslaan, ziet het hof geen reden om dit in de beoordeling van het ontslag te betrekken, anders dan op de hierna nog nader te motiveren wijze.