Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2022;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 september 2022;
- een brief van [werkgever] van 1 augustus 2022 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 april 2022;
- een brief van [werkgever] met productie 18, ingekomen ter griffie op 20 januari 2023;
3.De beoordeling
[werknemer] heeft de kantonrechter in de hoofdzaak verzocht om, verkort weergegeven:
primair:
III. [werkgever] te verplichten om hem toe te laten tot het overeengekomen werk; en
subsidiair, voor zover de arbeidsovereenkomst op 31 december 2021 zou zijn geëindigd:
zowel primair als subsidiair:
V. en VI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, onder verstrekking van deugdelijke loonstroken; en
VII. met veroordeling van [werkgever] in de kosten van de procedure en nakosten.
- primair de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [werknemer] (art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW) en te bepalen dat hij vanaf 1 januari 2022 geen recht op loon heeft en geen recht heeft op de transitievergoeding;
- subsidiair de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van art. 7:669 lid 3 onder Pro d, g of h BW en meer subsidiair op grond van art. 7:669 lid 3 onder Pro i BW en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de beschikking, onder toekenning van de transitievergoeding aan [werknemer] ; en
- in alle gevallen met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.
De kantonrechter heeft het subsidiaire tegenverzoek van [werkgever] toegewezen en de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 juni 2022 wegens een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 onder Pro g BW). [werkgever] heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden intrekkingsmogelijkheid van het ontbindingsverzoek. Zij is daarom veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van de transitievergoeding van € 2.295,80 bruto, een billijke vergoeding van € 5.700,00 en de proces- en nakosten van [werknemer] . De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
€ 1.049,46 netto en € 158,00 aan boetes, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente en bepaald dat dit wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 22 april 2022.
II. [werkgever] een vergoeding toe te kennen gelijk aan het bedrag aan loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd bij een einde van rechtswege;
Partijen hebben na het ontstaan van dit geschil in e-mails van 2 en 3 februari 2022 als uitgewisseld tussen de respectieve advocaten een overeenkomst gesloten inhoudende dat de kantonrechter te Breda bevoegd is (art. 23). Het hof heeft zich desondanks, ten overvloede, tijdens de zitting ervan vergewist dat [werknemer] op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen.
a) de bedrijfsauto in het weekend van 9 en 10 januari heeft gebruikt;
b) op vrijdag 12 maart én maandag 15 maart heeft getankt;
c) tijdens zijn vrije dagen van 3 t/m 6 april 43,05 liter heeft verbruikt;
d) op zondag 11 en zondag 18 april heeft getankt;
e) de bedrijfsauto in de weekenden van 29 en 30 mei 2021 en 19 en 20 juni heeft gebruikt;
f) op zondag 27 juni en zondag 11 juli heeft getankt;
g) op vrijdag 16 juli én maandag 19 juli heeft getankt; en
h) op zondag 19 september, zaterdag 25 september, zaterdag 9 oktober, zaterdag 16 oktober en zaterdag 23 oktober heeft getankt.
Gelet op het aantal aan de hand van het verbruik (tankbeurten) berekende “gemaakte” kilometers heeft [werknemer] de bedrijfsauto voor privédoeleinden stelselmatig, veelvuldig en voor lange afstanden gebruikt, aldus [werkgever] .
a en b) [werkgever] heeft twee bezoeken aan zakelijke contacten op vrijdag 8 januari buiten beschouwing gelaten. Hetzelfde geldt voor vrijdag 12 maart en op maandag 15 maart was de bedrijfsauto bij de garage voor onderhoud en heeft hij een vervangende auto getankt;
c) [werknemer] heeft op zaterdag 3 april stands en producten moeten afleveren bij een klant in [plaats 3] , op woensdag 7 april werkte hij in [plaats 2] en heeft hij de tankkaart aan [officemanager] gegeven omdat iemand anders de kaart nodig had;
d) op zondag 11 april heeft hij zijn dochter opgehaald van het treinstation in [plaats 4] (15 km heen en terug) omdat zijn echtgenote met de gezinsauto naar haar grootmoeder was in verband met een persoonlijke situatie en op zondag 18 april had hij een zakelijk etentje;
e) op vrijdag 28 mei ontbreekt een zakelijke rit van ca. 150 km wegens een diner met een klant en op zaterdag 29 mei heeft hij zijn kinderen naar zwemles en hockey gebracht (25 km heen en terug) omdat zijn echtgenote naar [plaats 5] moest en in het weekend van 19 en 20 juni heeft hij niet privé met de auto gereden maar die vrijdag is hij in [plaats 5] en [plaats 6] geweest en op maandag moest hij naar [plaats 2] ;
f) op zondag 27 juni en zondag 11 juli tankte hij ’s avonds om de volgende dag naar [plaats 2] te rijden;
g) op vrijdag 16 juli moest hij naar [plaats 7] en maandag 19 juli naar [plaats 2] ;
h) op zondag 19 september had hij een zakelijk etentje in [plaats 8] , op zaterdag 25 september tankte hij om de auto gereed te hebben voor de week daarop, op zaterdag 9 oktober ging hij naar de beurs in [plaats 1] , die was van 9 t/m 13 oktober en hij reed elke dag naar huis, behalve op 10 oktober omdat hij toen bij [voormalig leidinggevende] logeerde en op de zondagen 16 en 23 oktober heeft hij getankt om de auto gereed te hebben voor de week erop, aldus [werknemer] .
bepaaldetijd, heeft zij ter zitting bevestigd dat het in dit geval gaat om een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd. Aan het verzoek van [werkgever] voor een vergoeding over de termijn dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd als deze van rechtswege zou zijn geëindigd wordt daarom niet toegekomen (art. 7:671b lid 10 onder c BW).
In dat artikel is immers bepaald dat de kantonrechter de opzegging kan vernietigen of een billijke vergoeding kan toekennen. Dit betekent dat de toekenning van de transitievergoeding door de kantonrechter alleen maar gegrond kan zijn op art. 7:671b lid 9 onder c BW. Daarvoor is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [werkgever] heeft geen (kenbare) grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] in deze zaak invulling is gegeven doordat zij de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en daarmee het recht op een billijke vergoeding is gegeven. Wat daar ook van zij, het hof dient bij de beoordeling dan ook vanuit te gaan van de aldus vastgestelde ernstige verwijtbaarheid van [werkgever] . Dat betekent dat [werknemer] recht heeft op een billijke vergoeding.
De gezichtspunten die in die beschikking zijn geformuleerd, lenen zich daarom ook in een dergelijk geval voor toepassing. In het licht van hetgeen de werknemer in verband met de billijke vergoeding heeft aangevoerd over de gevolgen van het verlies van de arbeidsovereenkomst, dient bij het bepalen van de vergoeding mede worden betrokken hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd indien de werkgever niet door ernstig verwijtbaar handelen de verstoring van de arbeidsverhouding en daardoor de ontbinding van de overeenkomst zou hebben veroorzaakt (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218).