Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn bedrijfswoning, die initieel was vastgesteld op € 625.000 en na bezwaar werd verlaagd tot € 582.000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het geschil betrof de juiste waardering van de woning, waarbij belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de bestemming 'bedrijfswoning', waardoor de waarde lager zou moeten zijn. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde correct was vastgesteld, mede door vergelijkingspanden en grondprijzen.
Daarnaast was de kostenvergoeding voor bezwaar aan belanghebbende toegekend op basis van een lagere puntwaarde. Het hof stelde deze vergoeding, mede gelet op een recent arrest van de Hoge Raad, opnieuw vast op € 1.248. Ook werd een vergoeding voor immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, waarbij de schadevergoeding werd verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de minister.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betroffen, en veroordeelde de heffingsambtenaar en minister tot vergoeding van kosten en immateriële schade. Tevens werd het griffierecht vergoed.