In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Limburg inzake WOZ-waarden van diverse onroerende zaken en bijbehorende aanslagen onroerendezaakbelastingen. Belanghebbende, vertegenwoordigd door een gemachtigde, stelde hoger beroep in tegen meerdere uitspraken van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarden.
Het hof stelde vast dat de gemachtigde geen recente schriftelijke machtiging had overgelegd, terwijl dit op grond van de Algemene wet bestuursrecht vereist is om de bevoegdheid van de gemachtigde te waarborgen. Ondanks een termijn om dit te herstellen, werd geen geldige machtiging ingediend. Hierdoor verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam het niet toe aan inhoudelijke behandeling.
Daarnaast verzocht de gemachtigde om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het hof wees dit af omdat het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep inhoudt dat geen spanning of frustratie door een lange procedure kan worden aangenomen. Ook werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door het hof te ’s-Hertogenbosch op 23 april 2025.