In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake een WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen voor 2022. Belanghebbende werd vertegenwoordigd door een gemachtigde van een kantoor, die het hoger beroep instelde. Het hof verzocht om een recente schriftelijke machtiging die niet ouder was dan zes maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep, om de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bevestigen.
Ondanks herhaalde verzoeken werd deze recente machtiging niet overgelegd. De enige overgelegde volmacht was ouder dan een jaar en algemeen van aard, waardoor twijfel bestond over de bevoegdheid van de gemachtigde. Daarnaast was het kantoor niet meer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en waren er eerdere twijfels over de vertegenwoordigingsbevoegdheid in andere procedures.
Het hof concludeerde dat het ontbreken van een recente schriftelijke machtiging een verzuim vormde en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk was. Er werd geen inhoudelijke behandeling van het hoger beroep gegeven. Ook werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door raadsheer Smorenburg en griffier Van Middelkoop op 17 september 2025.