ECLI:NL:GHSHE:2025:3538

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
23/1354 tot en met 23/1357
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de aftrek van voorbelasting bij verhuur van een werkkamer en garage aan een vennootschap

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de aftrek van voorbelasting door belanghebbende, een samenwerkingsverband van twee advocaten, die een werkkamer en garage verhuurt aan hun vennootschap. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder de verzoeken om teruggave van omzetbelasting ongegrond verklaard. Belanghebbende had aangifte gedaan voor de omzetbelasting over verschillende perioden en verzocht om teruggave van in totaal € 30.126. De inspecteur van de Belastingdienst had deze verzoeken afgewezen, met als argument dat de verhuur geen economische activiteit vormde en dat er geen recht op aftrek van voorbelasting bestond. Het hof oordeelde dat de verhuur van de werkkamer en garage wel degelijk een economische activiteit vormde, omdat belanghebbende de intentie had om deze ruimtes zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de vennootschap. Het hof concludeerde dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestond tussen de bouw van de werkkamer en garage en de economische activiteit, en dat de verhuur niet vrijgesteld was van omzetbelasting. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, en gelastte de inspecteur om de gevraagde teruggaven vast te stellen. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1354 tot en met 23/1357
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] [adres 1] te [vestigingsplaats] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummers BRE 21/992 tot en met BRE 21/995, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de omzetbelasting over de perioden november/december 2018, 2019, tweede kwartaal 2020 en derde kwartaal 2020 en daarbij verzocht om teruggaven van € 10.299 (november/december 2018), € 13.899 (2019), € 4.295 (tweede kwartaal 2020) en € 1.633 (derde kwartaal 2020). De inspecteur heeft bij beschikkingen van respectievelijk 10 juli 2020 (november/december 2018 en
2019), 2 oktober 2020 (tweede kwartaal 2020) en 13 november 2020 (derde kwartaal 2020)
besloten niet aan de verzoeken tegemoet te komen.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft op 23 juli 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een samenwerkingsverband dat wordt gevormd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
2.2.
[naam 1] is als advocaat werkzaam bij [de vennootschap]
(hierna: de vennootschap). Hij bezit tevens alle aandelen in de vennootschap. De
vennootschap is gevestigd op het adres [adres 2] te [plaats] en beschikt daar over
een kantoorruimte.
2.3.
[naam 1] en [naam 3] hebben in 2018 grond gekocht aan de [adres 1] te
[vestigingsplaats] waarop zij een woning hebben laten bouwen (hierna: de woning). Zij zijn
ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning en wonen er sinds 2020.
2.4.
Onderdeel van de woning is een kantoorruimte (hierna: werkkamer) en een
garage/bergingsruimte (hierna: garage). De werkkamer is bereikbaar via de deur in de
centrale hal en ook via de deur naar de inpandige garage. Naast die deur beschikt de garage
over een garagedeur voor de auto en een eigen uitgang naar buiten.
2.5.
Belanghebbende verhuurt met ingang van 1 oktober 2020 de werkkamer en de
garage aan de vennootschap. De jaarhuur bedraagt € 8.400, exclusief omzetbelasting. In de
huurovereenkomst is een huurperiode van vijf jaar en daarnaast een optie tot verlenging van
de huurperiode met vijf jaar opgenomen. In de huurovereenkomst staat verder dat de
verhuur vanaf de aanvang is belast met omzetbelasting. In de werkkamer verricht
[naam 1] met regelmaat werkzaamheden voor de vennootschap. In de garage wordt de
auto van de zaak gestald en worden stukken van de vennootschap opgeslagen. Daarnaast
wordt de garage privé gebruikt. Tussen partijen is niet in geschil dat de garage voor 79% zakelijk wordt gebruikt.
2.6.
Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting ingediend over onder meer de tijdvakken november/december 2018, 2019, tweede kwartaal 2020 en derde kwartaal 2020. Zij heeft daarbij de volledige voorbelasting op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de voorbelasting op de bouwkosten van de garage in aftrek gebracht. Volgens de aangiften bedragen de hieruit resulterende teruggaven € 10.299 (november/december 2018), € 13.899 (2019), € 4.295 (tweede kwartaal 2020) en € 1.633 (derde kwartaal 2020).
2.7.
De inspecteur heeft op respectievelijk 10 juli 2020 (november/december 2018 en
2019), 2 oktober 2020 (tweede kwartaal 2020) en 13 november 2020 (derde kwartaal 2020)
de beschikkingen geen teruggaaf vastgesteld.
2.8.
De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen gehandhaafd. De rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar bevestigd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vragen:
- of de verhuur van de werkkamer en de garage een economische activiteit vormt;
- of een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de bouw van de werkkamer en de garage en de economische activiteit;
- of de verhuur belast is dan wel vrijgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de beschikkingen en tot verlening van de gevraagde teruggaven. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Voor zover het hof tot het oordeel komt dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting, is de berekening daarvan tussen partijen niet in geschil.

4.Gronden

Vormt de verhuur van de werkkamer en de garage een economische activiteit?
4.1.
Op grond van artikel 7, lid 1, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. In lid 2, onderdeel b, is bepaald dat onder een bedrijf mede wordt verstaan: exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De wetgever heeft aan het in deze bepaling gebruikte begrip ondernemer geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip belastingplichtige in artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn. Volgens artikel 9, lid 1, eerste alinea, Btw-richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. De laatste volzin van voormeld artikellid bepaalt dat als economische activiteit in het bijzonder wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
4.2.
De inspecteur heeft primair het volgende aangevoerd. De werkruimte beschikt niet over voldoende zelfstandigheid om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde. De huurovereenkomst vindt enkel oorzaak in de arbeidsovereenkomst tussen [naam 1] en de vennootschap. Volgens de inspecteur kan worden betwijfeld of [naam 1] en [naam 3] een deel van hun woning en de garage willen verhuren aan een willekeurige derde, die door de centrale hal moet lopen om de werkkamer te bereiken. De werkkamer en de garage beschikken niet over eigen sanitair en de werkkamer is alleen bereikbaar via ruimten die (deels) privé worden gebruikt. De inspecteur concludeert dat de vereiste economische activiteit er niet is. Ter ondersteuning van dit - voor hem principiële - standpunt verwijst de inspecteur onder andere naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 12 mei 2016, C-520/14, ECLI:EU:C:2016:334, gemeente Borsele (hierna: het Borsele-arrest).
4.3.
Belanghebbende is het oneens met het principiële standpunt van de inspecteur. De werkkamer en de garage zijn verbonden via een doorgang en zijn bewust naast elkaar geplaatst. Er is sprake van een onlosmakelijk geheel, dat aan een derde zou kunnen worden verhuurd. De garage beschikt over een eigen ingang, en via die ingang is de werkkamer te bereiken. De huur is marktconform. Ook is sprake van een rechtstreeks verband tussen de prestatie (verhuur) en de vergoeding (huur). Het Borsele-arrest mist dan ook toepassing.
4.4.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4.3. Vast staat dat belanghebbende een voor de omzetbelasting zelfstandige entiteit is en dat belanghebbende de werkkamer en de garage voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de vennootschap (een derde) ter beschikking stelt. Daarmee is sprake van een economische activiteit en dus ook van ondernemerschap in de zin van de Wet OB. Anders dan de inspecteur verdedigt staat de verhuuractiviteit los van de arbeidsovereenkomst van [naam 1] . De enkele omstandigheid dat mogelijk geen verhuur zou plaatsvinden als [naam 1] niet werkzaam zou zijn bij de vennootschap leidt er immers niet toe dat de zakelijke verhuur van de werkkamer en de garage niet als zelfstandige activiteit aangemerkt moet worden.
4.4.
Dat de werkkamer en de garage in de ogen van de inspecteur onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan (iedere) willekeurige derde te verhuren doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Voor dit oordeel is immers voldoende dat daadwerkelijk verhuur plaatsvindt aan de vennootschap, die als derde dient te worden aangemerkt. In die zin neemt belanghebbende deel aan de markt voor verhuur.4
4.5.
Anders dan de inspecteur verdedigt leidt de verwijzing naar het Borsele-arrest, dat handelde over het leerlingenvervoer, evenmin tot een ander oordeel. Zoals in dat arrest is opgemerkt is pas sprake van een economische activiteit als de dienstverrichting is verricht tegen een vergoeding. Bij het antwoord op de vraag of de dienst verricht is tegen een vergoeding moeten alle omstandigheden waaronder zij plaatsvindt worden onderzocht.5 Op grond van de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder met name de omstandigheid dat er geen reëel verband bestond tussen het betaalde bedrag en de verrichte dienst6 in combinatie met de vaststelling dat de belastingplichtige (de gemeente Borsele) veeleer de ontvanger én eindverbruiker was van de (vervoersdiensten die zij aankocht besliste het HvJ dat geen economische activiteit werd uitgeoefend. De omstandigheden in het onderhavige geval zijn, alleen al omdat hier sprake is van een zakelijke huurprijs, onvergelijkbaar met die in de het Borsele-arrest, zodat dit arrest hier geen betekenis heeft.
4 Zie HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1320.
5 HvJ 12 mei 2016, nr. C-520/14, ECLI:EU:C:2016:334, r.o. 29.
6 De door de gemeente behaalde opbrengsten van het leerlingenvervoer bedroegen 3% van de door de
gemeente betaalde kosten voor het leerlingenvervoer.”
4.4.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank over het primaire geschilpunt een juiste beslissing heeft genomen. Het hof maakt deze beslissing en de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gebezigd tot de zijne. Met de rechtbank concludeert het hof dat de omstandigheden in het onderhavige geval in samenhang bezien tot de conclusie leiden dat belanghebbende wel optreedt in het economische verkeer en tegen een zakelijke en rechtstreekse, marktconforme vergoeding een dienst verleent aan de vennootschap. De omstandigheden wijken dan ook substantieel af van die in het Borsele-arrest. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende.
Bestaat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de werkkamer en de garage en de economische activiteit?
4.5.
Er bestaat alleen recht op aftrek van de in door belanghebbende gedane uitgaven
begrepen voorbelasting wanneer vaststaat dat de uitgaven ten behoeve van belastbare
economische activiteiten zijn gedaan. Subsidiair is de inspecteur, onder verwijzing naar het
arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1158, van mening dat de aftrek van voorbelasting terecht geweigerd is omdat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de realisatie van de woning (inclusief werkkamer en garage) en de (voorgenomen) verhuur van de werkkamer en de garage. De (gehele) woning zou immers ook zijn aangekocht zonder dat sprake zou zijn van ondernemersactiviteiten.
4.5.
Belanghebbende is van mening dat er wel een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de realisatie(kosten) van de werkkamer en de garage en de verhuur ervan aan de vennootschap nu de kosten zijn doorberekend in de huurprijs. Bovendien zou zonder het beoogde zakelijke gebruik de woning op een andere wijze zijn gebouwd, omdat de keuken deels plaats heeft moeten maken voor de werkkamer.
4.6.
Belanghebbende heeft weliswaar erkend dat de woning ook zonder de werkkamer zou zijn gebouwd, maar dit staat naar het oordeel van het hof niet aan het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband in de weg. Belanghebbende heeft van meet af aan de intentie gehad om een deel van de woning voor zakelijk gebruik te bestemmen en dit deel tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de vennootschap. Dit is voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting voor zover de woning voor belaste doeleinden zal worden gebruikt. Belanghebbende heeft consequent verklaard dat de keuken minder groot is uitgevallen omdat bij het ontwerpen van de woning rekening moest worden gehouden met de werkkamer en met de mogelijkheid om de garage (deels) zakelijk te gebruiken en ter beschikking te stellen aan de vennootschap. Belanghebbende heeft de voorbelasting slechts in aftrek gebracht voor zover deze toerekenbaar is aan de bouw van de te exploiteren delen. Deze handelwijze is in overeenstemming met de jurisprudentie van het HvJ (14 september 2017, C-132/16, ECLI:EU:C:2017:683, „Iberdrola Inmobiliaria Real Estate Investments” EOOD). Het gelijk is ook op dit punt aan belanghebbende.
Is de verhuur belast dan wel vrijgesteld?
4.7.
Meer subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de voorbelasting niet aftrekbaar is omdat belanghebbende niet kan opteren voor belaste verhuur en er dus geen belastbare economische activiteiten zijn. Er kan alleen geopteerd worden voor belaste verhuur als de werkkamer en de garage uitsluitend door de vennootschap gebruikt worden. Belanghebbende heeft het bewijs dat die situatie zich voordoet niet geleverd. Er is in dit geval wel sprake van enig privégebruik, omdat [naam 3] en de zoon gebruik maken van de werkkamer om naar de garage te lopen en de garage deels privé wordt gebruikt. Het is aannemelijk dat de werkkamer ook deels privé wordt gebruikt door [naam 1] .
4.8.
Met betrekking tot het meer subsidiaire standpunt van de inspecteur betoogt belanghebbende dat een optie voor belaste verhuur ook mogelijk is bij een gedeeltelijk privégebruik en dat in dat geval recht bestaat op aftrek van voorbelasting voor zover de garage en de werkkamer zakelijk gebruikt worden. In de aangiften is belanghebbende uitgegaan van een zakelijk gebruik van de garage van 79% en van een volledig zakelijk gebruik van de werkkamer en heeft daarop de aftrek van voorbelasting gebaseerd (zie 2.5). Met betrekking tot de werkkamer heeft belanghebbende daarbij aangevoerd dat deze alleen toegankelijk is voor [naam 1] vanwege zijn vertrouwelijke (advocaat-)werkzaamheden en de aanwezigheid van vertrouwelijke dossiers en soms schokkende foto’s. De ruimte wordt afgesloten met de tussendeuren.
4.9.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“5.2. De rechtbank zal eerst het meer subsidiaire standpunt bespreken. De verhuur van onroerende zaken is in beginsel van omzetbelasting vrijgesteld.8 Onder voorwaarden kan worden geopteerd voor belaste verhuur.9 Een van die voorwaarden is dat hetgeen verhuurd wordt niet als woning wordt gebruikt. 10 Daarbij staat elke mate van gebruik als woning aan belaste verhuur in de weg. Het standpunt van belanghebbende dat (bij gemengd privé en zakelijk gebruik) belaste verhuur wel mogelijk is voorzover de verhuurde garage en werkkamer zakelijk worden gebruikt vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de tekst van de Wet OB en evenmin in de wetsgeschiedenis. Van doorslaggevend belang is dus of de werkkamer en de garage uitsluitend zakelijk worden gebruikt. Alleen in dat geval is aftrek van voorbelasting mogelijk. Belanghebbende dient het benodigde bewijs te leveren.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting niet aan haar bewijslast voldaan. Zij is met betrekking tot de garage zelf steeds uitgegaan van een privégebruik (gebruik voor woondoeleinden) van 21%, bestaande uit de stalling van privébezittingen. In de pleitnota stelt zij dat het feitelijk privégebruik hooguit 5-10% zal zijn, waarbij zij verwijst naar de bijgevoegde foto's. Op deze foto's van de garage staat de in de garage geparkeerde auto en daarnaast een racefiets en een aantal gestalde bezittingen, waarvan niet duidelijk is in hoeverre het zakelijke bezittingen zijn. Nu belanghebbende zelf heeft verklaard dat de garage ook privé en dus als
woning gebruikt wordt is belaste verhuur van de garage niet mogelijk.
5.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat de garage en werkkamer door de ligging naast elkaar, door de verbinding via een tussengang en door het gebruik onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en in feite één geheel vormen. Daarvan uitgaande moet het privégebruik van de garage ook aangemerkt worden als privégebruik van de werkkamer. Dit geldt temeer nu vanuit de (ook privé gebruikte) garage alleen via de werkkamer het overige gedeelte van de woning bereikt kan worden. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat naast [naam 1] geen van de andere gezinsleden (echtgenote en zoon) gebruik maakt van de werkkamer om binnenshuis naar de garage te gaan. Verder acht de rechtbank evenmin aannemelijk dat [naam 1] alleen voor zijn zakelijke werkzaamheden gebruik maakt van de werkkamer en niet, zoals algemeen gebruikelijk bij werkkamers, ook voor privé-bureauwerkzaamheden. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank belanghebbende niet geslaagd in het bewijs dat de werkkamer uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Het gevolg daarvan is dat belaste
verhuur van de werkkamer niet mogelijk is.
5.5.
Omdat belanghebbende niet kan opteren voor belaste verhuur van de werkkamer en de garage kan de daarop betrekking hebbende voorbelasting niet in aftrek worden gebracht. Het gelijk is aan de inspecteur. Het subsidiaire standpunt van de inspecteur hoeft dan niet meer behandeld te worden.
8 Artikel 11. eerste lid, aanhef en letter b. van de Wet OB.
9 Artikel 11, eerste lid, letter b, sub 5, van de Wet OB.
10 Artikel 11, eerste lid, letter b, sub 5, van de Wet OB, waarin de verhuur van "gebouwen en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt" zijn uitgezonderd van de mogelijkheid tot belaste verhuur.”
4.10.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. Artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 5°, Wet OB maakt het mogelijk om te kiezen voor belaste verhuur indien de verhuur betreft onroerende zaken, andere dan gebouwen en gedeelten van gebouwen welke als woning worden gebruikt. De laatste bijzin heeft betrekking op zowel gehele gebouwen als op gedeelten daarvan. Dat brengt mee dat voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, gekozen kan worden voor belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals in dit geval, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt.[ [1] ] Zoals ter zitting van het hof besproken, is het in algemene zin niet goed voorstelbaar dat een onzelfstandige ruimte van een woning uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Denkbaar is dat [naam 1] de werkkamer gebruikt om privécorrespondentie af te handelen en de garage wordt sowieso gemengd gebruikt. Anders dan de inspecteur ter zitting heeft gesteld, kan daaraan echter niet de conclusie worden verbonden dat een optie belaste verhuur van een werkruimte nooit mogelijk is (vgl. het bij voetnoot [1] genoemde arrest). Tussen partijen is niet in geschil dat de werkruimte en garage onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en in feite één geheel vormen. Nu dit geheel hoofdzakelijk door de vennootschap wordt gebruikt en anders dan als woning, is het hof van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. Het privégebruik zal, gelet op de verklaring ter zitting, ondergeschikt zijn aan het zakelijke gebruik. Tot slot merkt het hof op dat bij afwisselend gebruik door verschillende gebruikers en bij gelijktijdig verschillend gebruik de vraag opkomt of voor de heffing van omzetbelasting wel sprake is van verhuur, zoals het hof partijen heeft voorgehouden. Indien de prestatie geen verhuur is omdat de exclusiviteit ontbreekt, is sprake van een dienst die niet onder een vrijstelling valt en dus belast is. Ook als geen sprake zou zijn van verhuur is het gelijk aan belanghebbende.
Slotsom
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.14.
Daarbij wordt uitgegaan van 4 samenhangende zaken waarin belanghebbende geheel in het gelijk is gesteld.
4.15.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 4 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 5.442. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting van € 30,54 (reiskosten openbaar vervoer), in totaal € 5.472,54.
4.16.
Voor vergoeding van de kosten in de bezwaarfase ziet het hof geen aanleiding. Voor het door [naam 1] op eigen naam ingediende bezwaarschrift kan geen vergoeding worden toegekend, ook niet als dit bezwaarschrift, zoals belanghebbende stelt, door of met de hulp van [naam 2] zou zijn opgesteld. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met de Bijlage bij dit besluit, wordt slechts een vergoeding toegekend voor verrichte proceshandelingen. Het opstellen van een bezwaarschrift vormt als zodanig geen proceshandeling. Vergoeding zou slechts mogelijk zijn geweest indien het bezwaarschrift door of mede door [naam 2] in kenbare hoedanigheid van gemachtigde van belanghebbende zou zijn ingediend. [2]

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • gelast dat de inspecteur de gevraagde teruggaafbeschikkingen vaststelt, tot bedragen van € 10.299 (vierde kwartaal 2018), € 13.899 (jaar 2019), € 4.295 (tweede kwartaal 2020) en € 1.633 (derde kwartaal 2020);
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van in totaal € 908 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding van € 5.472,54.
De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van R. Wijkstra, als griffier.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra A. van Dongen
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per aangetekende post verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:783
2.RvS 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5242