Belanghebbende, actief in multi-level marketing (MLM) met gezondheidsproducten, betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020, waarin de inspecteur het verlies niet in aanmerking nam omdat geen sprake zou zijn van een bron van inkomen.
Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof. Hij voerde aan dat hij redelijkerwijs voordeel kon verwachten uit zijn MLM-activiteiten en dat de inspecteur onrechtmatig vertrouwen had gewekt, onder meer via een OndernemersCheck en gesprekken waarvan hij geluidsopnamen had gemaakt.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een objectieve voordeelsverwachting bestond, gelet op de beperkte en wisselende positieve resultaten en het ontbreken van een aanhoudende stijgende lijn in omzet en winst. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen of gedragingen van de inspecteur waren die een dergelijk vertrouwen rechtvaardigden, mede gezien de duidelijke waarschuwingen in het controlerapport en de OndernemersCheck.
Het bewijsaanbod tot het afluisteren van geluidsopnamen werd afgewezen als niet relevant en onvoldoende specifiek. Ten slotte werd de vordering tot verbeurdverklaring van een dwangsom afgewezen omdat de inspecteur binnen de gestelde termijn uitspraak op bezwaar had gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.