Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1080

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
24/931
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Legesverordening 2022Art. 3 lid 1 Legesverordening 2022Art. 2.3 Tarieventabel 2022Art. 2.3.1.1.4 Tarieventabel 2022Art. 2.3.1.6.2 Tarieventabel 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging legesheffing voor omgevingsvergunning woonwagen ondanks bezwaar belanghebbende

Belanghebbende diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor de legalisatie van een woonwagen, nadat een handhavingsbesluit was opgelegd wegens het zonder vergunning plaatsen van de woonwagen. De heffingsambtenaar bracht leges in rekening op basis van de geldende Legesverordening 2022 en bijbehorende tarieventabel en referentielijst bouwkosten.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de leges, stellende dat de woonwagen legaal aanwezig was en dat hij niet op de hoogte was van legesheffing. Tevens voerde hij het vertrouwensbeginsel aan en betwistte de hoogte van de bouwkosten waarop de leges zijn gebaseerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.

Het hof oordeelde dat het belastbare feit zich had voorgedaan door het in behandeling nemen van de aanvraag en aanvullende gegevens, en dat belanghebbende de formele rechtskracht van het handhavingsbesluit niet kon doorbreken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging door de heffingsambtenaar was gedaan. De heffingsambtenaar mocht de bouwkosten ramen aan de hand van de referentielijst, omdat belanghebbende zijn lagere bouwkosten niet had onderbouwd.

De legesheffing was niet onredelijk of onbillijk en er was geen sprake van onbehoorlijk bestuur. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de legesheffing van €5.983 wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/931
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende], wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 mei 2024, nummer SHE 23/815, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft een kennisgeving leges van € 5.983 uitgereikt aan belanghebbende.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven heeft ten aanzien van belanghebbende bij handhavingsbesluit van 25 augustus 2021 een last onder dwangsom opgelegd in verband met het zonder vergunning plaatsen/bouwen van een woonwagen op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het Handhavingsbesluit). Bij uitspraak op bezwaar is het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen het Handhavingsbesluit ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak geen beroep ingesteld.
2.2.
Naar aanleiding van het Handhavingsbesluit heeft belanghebbende op 3 maart 2022 bij de gemeente Eindhoven een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de legalisatie van een woonwagen op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: de aanvraag). De aanvraag is tevens opgevat als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan. Bij brief van 7 maart 2022 is belanghebbende verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. Belanghebbende heeft bij e-mail van 23 maart 2022 een aangepaste bouwtekening verstrekt.
2.3.
Bij besluit van 13 juni 2022 is de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten “bouwen” en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” verleend. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning, zodat deze onherroepelijk is geworden.
2.4.
In verband met het in behandeling nemen van de aanvraag heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende € 5.983 leges in rekening gebracht. Het bedrag van de leges is als volgt opgebouwd:
- omgevingsvergunning bouwactiviteit € 3.902
- planologisch strijdig gebruik (binnenplanse afwijking) € 1.806
- in behandeling nemen van aanvullende gegevens € 275
2.5.
De legesheffing is gebaseerd op de ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges vergunningen en aanverwante diensten 2022’ van de gemeente Eindhoven (hierna: de Legesverordening 2022), de ‘Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening vergunningen 2022’ (hierna: de Tarieventabel 2022) en de ‘Referentielijst bouwkosten omgevingsvergunning 2022’ (hierna: de Referentielijst bouwkosten 2022).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de leges terecht en tot het juiste bedrag zijn geheven.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en tot vernietiging dan wel vermindering van de geheven leges.
3.3.
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (artikel 1 van Pro de Legesverordening 2022). Leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de Tarieventabel 2022 (artikel 3, lid 1, van de Legesverordening 2022).
4.2.
In artikel 2.3 van de Tarieventabel 2022 is bepaald – voor zover van belang – dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project bedraagt: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van Titel 2 van de Tarieventabel 2022. Beslissend is derhalve het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.
4.3.1.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), bedraagt het tarief – indien de bouwkosten € 100.000 tot € 200.000 bedragen – € 3.902 (artikel 2.3.1.1.4 van de Tarieventabel 2022).
4.3.2.
Voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens wegens indiening van een aanvankelijk niet complete aanvraag bedraagt het cumulatieve tarief – indien de bouwkosten € 50.000 of meer bedragen – € 275 (artikel 2.3.1.6.2 van de Tarieventabel 2022).
4.3.3.
In artikel 2.3.3 in verbinding met artikel 2.3.3.1 van de Tarieventabel 2022 is verder bepaald – onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van hoofdstuk 3 van Titel 2 indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten – dat voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo (planologisch strijdig gebruik), indien de toets van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1°, van de Wabo wordt toegepast (binnenplanse afwijking), het tarief € 1.806 bedraagt.
4.4.
Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van de woonwagen. Belanghebbende heeft op 23 maart 2022 op verzoek van de gemeente aanvullende gegevens verstrekt. Vanwege strijd met het bestemmingsplan – de woonwagen was te hoog en te breed – is de aanvraag van belanghebbende tevens opgevat als een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan. Uit de verleende omgevingsvergunning blijkt dat een procedure is gevolgd om te beoordelen of afwijking van het bestemmingsplan mogelijk was. Met het in behandeling nemen van de aanvraag, het in behandeling nemen van de aanvullende gegevens en de gevolgde procedure voor een binnenplanse afwijking heeft het belastbare feit zich voorgedaan.
4.5.
Belanghebbende betwist ook niet dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, maar hij stelt zich primair op het standpunt dat het onbehoorlijk, alsmede in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om in dit geval leges te heffen. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende in dit verband tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Hij voert daartoe aan dat op het desbetreffende perceel sinds oktober 1984 een woonwagen met een schuur aanwezig was, welke met toestemming van de gemeente zijn geplaatst door zijn ouders, dat in 1992 een vergunning is verleend voor de bouw van een garage met een berging, alsmede dat de woonwagen nadien is verbouwd in de periode 1998-2003, terwijl die verbouwing is toegestaan – althans gedoogd – door de gemeente. Volgens belanghebbende was de woonwagen derhalve legaal op de standplaats aanwezig en was er geen grond om een omgevingsvergunning aan te vragen. Hij werd daartoe echter genoodzaakt onder dreiging van een last onder dwangsom en hij was zich bovendien niet ervan bewust dat ter zake daarvan leges zouden worden geheven. Gezien zijn financiële positie is hij ook niet in staat de leges te voldoen, aldus nog steeds belanghebbende.
4.6.
De heffingsambtenaar voert daartegenover aan dat de leges van € 5.983 terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Voor het plaatsen van een woonwagen is een omgevingsvergunning vereist. Aangezien deze vergunning ontbrak, was sprake van een illegale situatie en diende belanghebbende, ten behoeve van de legalisatie, over te gaan tot het aanvragen van een omgevingsvergunning. De aanvraag van belanghebbende is in behandeling genomen en daarvoor zijn terecht en conform de Legesverordening 2022 leges geheven. Volgens de heffingsambtenaar bestaat geen aanleiding aan te nemen dat toepassing van de Legesverordening 2022 onredelijk dan wel onbillijk zou zijn, of dat dit zou getuigen van onbehoorlijk bestuur.
4.7.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Belanghebbendes klacht dat hij geen aanvraag had hoeven indienen, maar dat hij daartoe werd gedwongen door het Handhavingsbesluit, faalt. Deze klacht behelst in wezen grieven tegen het Handhavingsbesluit, welke hij in de procedure tegen het Handhavingsbesluit had kunnen aanvoeren. Belanghebbende heeft echter berust in de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen het Handhavingsbesluit (zie 2.1). Hij heeft derhalve de gelegenheid gehad het Handhavingsbesluit aan te vechten, heeft van die gelegenheid ook gebruikgemaakt en heeft berust in de uitkomst van die procedure. De klacht stuit alsdan af op de formele rechtskracht van het Handhavingsbesluit.
4.8.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat een vertegenwoordiger van de gemeente mondeling toestemming heeft gegeven voor de verbouwing in de periode 1998-2003 (‘hij gaf aan dat de woonwagen mocht worden verbouwd, zonder vergunning en zonder kosten’). Ook hiervoor geldt dat dit argument in de procedure tegen het Handhavingsbesluit aan de orde kon worden gesteld. In het hogerberoepschrift heeft belanghebbende een bewijsaanbod gedaan om zijn ouders te horen als getuigen over de aan hen verleende toestemming voor de verbouwing. Voor zover in het licht van het voorgaande al relevant, geldt dat belanghebbende in de uitnodigingsbrief van 12 november 2025 voor de zitting is gewezen op de mogelijkheid om getuigen mee te brengen. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In het onderhavige geval is geen sprake van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten getuigen mee te brengen (vgl. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194). Dat de gemachtigde van belanghebbende niet vaak fiscale procedures voert, zoals hij ter zitting heeft gesteld, kwalificeert niet als een dergelijke omstandigheid.
4.9.
Belanghebbende heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, afgezien van de opsomming van de omstandigheden onder 4.5 hiervoor, verder niet voorzien van een nadere onderbouwing. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel geldt als uitgangspunt dat een belastingplichtige in beginsel slechts in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan handelingen van de inspecteur (dan wel in dit geval: de heffingsambtenaar) in zijn verhouding tot de desbetreffende belastingplichtige (vgl. HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516). Anders dan belanghebbende kennelijk meent, kan hij geen in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen aan standpunten die zijn ingenomen, dan wel handelingen die zijn verricht door een (niet voor belastingheffing verantwoordelijke) ambtenaar van de gemeente jegens zijn ouders. Belanghebbende heeft niets aangevoerd dat een uitzondering op deze regel zou kunnen rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is bovendien dat jegens belanghebbende een toezegging is gedaan over de heffing van leges. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dan ook.
4.10.
De heffingsambtenaar kan gelet op het voorgaande geen onbehoorlijk bestuur worden verweten. Niet gebleken is dat belanghebbende door onzorgvuldig handelen door de gemeente onnodig op kosten is gejaagd. Belanghebbendes primaire standpunt faalt.
Hoogte van de leges
4.11.
Belanghebbende stelt subsidiair dat uitgegaan moet worden van de waarde van de woonwagen met schuur in de periode 1998-2003, zijnde de periode waarin de woonwagen voor het laatst is verbouwd. In dit verband stelt belanghebbende in de eerste plaats dat bij het vaststellen van de leges moet worden uitgegaan van de (ver)bouwkosten conform de aanvraag (€ 58.000 exclusief btw) in plaats van de bouwkosten op basis van de Referentielijst 2022 (€ 109.120).
4.12.
De heffingsambtenaar stelt dat eerder te weinig dan te veel leges in rekening zijn gebracht. Op grond van artikel 2.3.1.5 van de Tarieventabel 2022 bedragen de leges bij een aanvraag in het kader van een legalisatie 150% van de leges zoals genoemd in artikel 2.3.1.1 van de Tarieventabel 2022, zodat de leges ten aanzien van de onderhavige aanvraag voor het onderdeel bouwactiviteit geen € 3.902 bedragen maar € 5.853. Zo nodig doet de heffingsambtenaar voor een bedrag van € 1.951 een beroep op interne compensatie.
4.13.
Het Hof oordeelt hierover als volgt.
4.14.
In de Tarieventabel 2022 is, voor zover hier van belang, onder artikel 2.1.1.2 opgenomen dat onder “bouwkosten” wordt verstaan:
“het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen (de aannemingssom) inclusief omzetbelasting, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, inclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2699, uitgave 2013, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. De opgegeven raming wordt getoetst aan de Referentielijst bouwkosten 2022.”
4.15.
Bij gebrek aan een door belanghebbende onderbouwde aannemingssom (blijkend uit bijvoorbeeld een aannemingsovereenkomst of een offerte) heeft de heffingsambtenaar de bouwkosten geraamd. Hij is hierbij afgeweken van de door belanghebbende in de aanvraag opgegeven bouwkosten van € 58.000 exclusief btw. In plaats daarvan heeft de heffingsambtenaar gebruik gemaakt van de Referentielijst bouwkosten 2022, welke onder meer als volgt luidt (bedragen inclusief btw):

Nieuwbouw woningen
(…)
- Woonwagen (Plaatsing) € 220,00 per m3
(…)”
Op grond hiervan zijn de bouwkosten vastgesteld op € 109.120 inclusief btw (496 m3 x € 220) en de leges voor de activiteit bouwen dientengevolge op € 3.902 (artikel 2.3.1.1.4 van de Tarieventabel 2022).
4.16.
Belanghebbende heeft de door hem gestelde bouwkosten van € 58.000 op geen enkele wijze onderbouwd. De heffingsambtenaar mocht daarom uitgaan van de bouwkosten op basis van de bij de Tarieventabel 2022 behorende Referentielijst bouwkosten 2022.
4.17.
Ter zitting heeft belanghebbende in dit verband voorts betoogd dat moet worden aangesloten bij – nu het precieze jaar van de laatste verbouwing niet meer kon worden achterhaald – de tarieventabel van het jaar 2000. Dat betoog faalt, reeds omdat het belastbare feit zich in 2022 heeft voorgedaan.
4.18.
Meer subsidiair is belanghebbende van mening dat de leges ter zake van het planologisch strijdig gebruik (€ 1.806) niet mogen worden geheven, aangezien de gemeente zelf de standplaats heeft geschapen en de bebouwing heeft toegestaan. Als er al strijd zou zijn met het bestemmingsplan, dan komt dit voor rekening en risico van de gemeente, aldus belanghebbende. Deze stelling doet er niet aan af dat de aanvraag in behandeling is genomen en dat een procedure is gevolgd voor binnenplanse afwijking, zodat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Dat de situatie kennelijk jarenlang is gedoogd, maakt niet dat de leges ten onrechte in rekening zijn gebracht. Ook belanghebbendes meer subsidiaire stelling faalt derhalve. Het Hof komt niet toe aan beoordeling van het door de heffingsambtenaar gedane beroep op interne compensatie.
Tussenconclusie
4.19.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.20.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.21.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door H.A.J. Kroon, voorzitter, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van A.S.H.M. Strik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
A.S.H.M. Strik H.A.J. Kroon
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.