De inspecteur legde meerdere aanslagen schenkbelasting op met onjuiste tenaamstelling, waarna uiteindelijk een correcte aanslag werd opgelegd aan de juiste belastingplichtige. Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld en dat de aanslag vernietigd moest worden. Het hof oordeelde dat sprake was van een systeemfout en dat de inspecteur steeds pogingen had gedaan om de tenaamstelling te corrigeren, waardoor geen ernstige onzorgvuldigheid was vastgesteld.
Daarnaast stelde belanghebbende subsidiair dat de schenking was gedaan onder dwaling over fiscale gevolgen, onderbouwd met een akte van rectificatie. Het hof verwierp dit beroep op dwaling omdat de betrokken partijen niet meer in leven waren en onvoldoende bewijs was geleverd dat zij zich tijdens leven op dwaling hadden beroepen. Ook werd overwogen dat vernietiging van de schenkingsovereenkomst niet automatisch leidt tot vernietiging van de aanslag schenkbelasting.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelde het hof vast dat de termijn in bezwaar en beroep niet was overschreden, maar dat in hoger beroep een lichte overschrijding van circa drie maanden was opgetreden. Daarom kende het hof een immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan belanghebbende, te betalen door de Staat. De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op € 467. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van belanghebbende af.