ECLI:NL:GHSHE:2026:1533

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/1029 en 24/1030
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:44 AwbArt. 8:75 AwbArt. 234 lid 5 GemeentewetArt. 225 lid 1 Gemeentewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslagen parkeerbelasting en rechtmatigheid kosten en tariefverschil BezoekersApp

De heffingsambtenaar legde aan belanghebbende naheffingsaanslagen parkeerbelasting op wegens niet-betaald parkeren op twee momenten in oktober 2022. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen en de kostenraming, maar dit werd door de heffingsambtenaar en vervolgens door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep betwist belanghebbende de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag en het onderscheid in tarieven tussen parkeren met en zonder gebruik van de BezoekersApp.

Het hof oordeelt dat de kostenraming van €42,60 per naheffingsaanslag in overeenstemming is met de Verordening en het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting. De kosten voor invordering en bezwaarafhandeling zijn niet in de naheffingsaanslag opgenomen. Kosten voor aanvraag, toetsing en uitgifte van parkeerrechten en voor geldinzameling en onderhoud van parkeerautomaten mogen volledig worden toegerekend omdat zij meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.

Ten aanzien van het tariefverschil stelt het hof vast dat het lagere tarief via de BezoekersApp een vergunningbelasting betreft, terwijl het hogere tarief voor feitelijk parkeren geldt. Dit onderscheid is rechtmatig en niet in strijd met de Gemeentewet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen blijven in stand.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen parkeerbelasting inclusief de kostenraming en het tariefverschil tussen parkeren met en zonder BezoekersApp.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1029 en 24/1030
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 juni 2024, nummers BRE 23/999 en 23/1004 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De heffingsambtenaar heeft op 5 oktober 2022 en op 26 oktober 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op 3 oktober 2022 omstreeks 10:46 uur, respectievelijk op 24 oktober 2022 omstreeks 10:04 uur geparkeerd stond aan Professor Cobbenhagenlaan in Tilburg, terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2.2.
De naheffingsaanslagen bestaan uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1 en kosten naheffing van € 42,60. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in de ‘Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022’ van de gemeente Tilburg (hierna: de Verordening) in samenhang met bijlage 2 ‘Kostprijs Naheffingsaanslag’, behorende bij de Verordening.
2.3.
In bijlage 2 ‘Kostprijs Naheffingsaanslag’ staat de volgende onderbouwing voor de kosten die ten grondslag liggen aan het in de Verordening neergelegde bedrag:
Kosten naheffingsaanslag parkeren 2022
begroot 2022
personele kosten (inclusief overhead)
* salarissen personeel
€ 784.989
* parkeertoezicht door derden; inclusief kosten handhaving parkeercontrole (personeel en hardware&software), invordering naheffingen, bezwaarafhandeling, aanvraag, toetsing en uitgifte parkeerrechten, geldinzameling betaalautomaten, huisvesting, ICT, middelen en vervoer, management en administratie)
€ 2.038.942
Informatieverwerking (intern en extern)
€ 277.526
Afschrijvingen
€ 204.111
Overige
waaronder, onderhoud parkeerautomaten
€ 187.030
projectkosten uitbreidingsgebieden
€ 341.081
totaal
€ 3.833.679
aantal naheffingsaanslagen
90
kostprijs naheffingsaanslag
€42,60
2.4.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een nadere onderbouwing ingebracht ter berekening van het in bijlage 2 ‘Kostprijs Naheffingsaanslag’ genoemde bedrag van € 2.038.942.
2.5.
Artikel 4 van Pro de Verordening bepaalt dat, onder meer, het belastingtarief wordt vermeld in de bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. De tarieventabel vermeldt een tarief van € 0,20 per uur (betalen per minuut) voor het parkeren via de BezoekersApp.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) Zijn de kosten van de naheffingsaanslag in strijd met de daarvoor geldende regels vastgesteld? Meer in het bijzonder, behoren de kosten van invordering, bezwaarafhandeling, aanvraag toetsing en uitgifte parkeerrechten, en geldinzameling en onderhoud parkeerautomaten, tot de kosten genoemd in artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (hierna: het Besluit)?
ii) Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd nu de gemeente Tilburg onderscheid maakt tussen parkeren met en zonder BezoekersApp?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
Stukken binnen de 10-dagen termijn
4.0.1.
Belanghebbende heeft in een nader stuk van 8 mei 2026 voor het eerst de stelling ingenomen met betrekking tot het onderscheid tussen parkeren met- en zonder BezoekersApp. De heffingsambtenaar heeft het hof tijdens de zitting van 21 mei 2026, alsmede in zijn nader stuk van 11 mei 2026, verzocht deze stelling van belanghebbende buiten beschouwing te laten. De heffingsambtenaar stelt dat het hier geen nieuw feit betreft omdat deze feiten al veel eerder bekend waren, nog voordat de naheffingsaanslag was opgelegd. Het had dan ook op de weg van belanghebbende gelegen om bij constatering van dit feit deze grief tijdens de bezwaarprocedure al in te brengen, aldus de heffingsambtenaar. Verder stelt de heffingsambtenaar dat hij het nader stuk pas op 11 mei 2025 (het hof begrijpt: 2026), derhalve binnen de 10-dagen termijn, van het hof heeft ontvangen en daarom niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het nader stuk van belanghebbende.
4.0.2.
De heffingsambtenaar heeft op 19 mei 2026 een nadere uitwerking van de kostenonderbouwing naheffingsaanslag 2022 overgelegd. Belanghebbende heeft tijdens de zitting van 21 mei 2026 verklaard dat hij het nader stuk niet inhoudelijk heeft kunnen bestuderen en heeft het hof verzocht, zo het tot de gedingstukken wordt gerekend, hem een termijn te geven om er schriftelijk op te kunnen reageren.
4.0.3.
Het hof stelt voorop dat artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van een goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen of op de zitting zijn ingediend al dan niet in de procedure toe te laten. [1]
4.0.4.
Met betrekking tot het door de heffingsambtenaar overgelegde stuk (zie 4.0.2) overweegt het hof als volgt. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar desgevraagd geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de gegevens niet eerder zijn overgelegd. Het stuk van 19 mei 2026 geeft meer onderbouwing aan die cijfers. Naar het oordeel van het hof zijn er geen aanwijzingen dat de heffingsambtenaar het stuk niet in een eerdere fase van de procedure, in elk geval buiten de termijn van artikel 8:58 Awb Pro, had kunnen overleggen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de procedure al geruime tijd loopt en het stuk betrekking heeft op een stelling die belanghebbende ook heeft betrokken in eerste aanleg. De heffingsambtenaar had dan ook dit stuk uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting kunnen en moeten overleggen. Om belanghebbende de gelegenheid te geven adequaat te kunnen reageren op de in het stuk van de heffingsambtenaar vermelde gegevens zou het vooronderzoek moeten worden heropend. Dat zou een aanzienlijke vertraging in de procesgang opleveren. Het hof is van oordeel dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van de heffingsambtenaar bij het overleggen van het stuk. Het hof rekent het nader stuk van 19 mei 2026 niet tot de gedingstukken omdat het te laat is ingediend.
4.0.5.
Met betrekking tot het verzoek van de heffingsambtenaar (zie 4.0.1) overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat belanghebbende zijn nader stuk op vrijdag 8 mei 2026, om 17:30 uur, via Mijn Rechtspraak heeft ingediend. Gevolg van indiening van het stuk op die dag en dat tijdstip is dat het hof het stuk pas op maandag 11 mei, om 08:07 uur, via Mijn Rechtspraak aan de heffingsambtenaar heeft doorgestuurd. Een en ander laat onverlet dat belanghebbende het stuk op de elfde dag voor de zitting bij het hof heeft ingediend. Daarbij heeft belanghebbende dus voldaan aan de in artikel 8:58 Awb Pro genoemde termijn. De heffingsambtenaar heeft in zijn stuk van 11 mei 2026 inhoudelijk gereageerd op de stellingen van belanghebbende. Ook overigens is het hof niet gebleken dat de heffingsambtenaar niet adequaat heeft kunnen reageren op de stellingen van belanghebbende.
4.0.6.
Ook gaat het hof voorbij aan het verzoek van de heffingsambtenaar om de stelling van belanghebbende met betrekking tot het onderscheid tussen parkeren met- en zonder 'BezoekersApp' buiten beschouwing te laten. In beginsel kan een partij in een belastingzaak gedurende de gehele procedure in hoger beroep nieuwe standpunten en geschilpunten aan de orde stellen, tenzij de behandeling ervan niet in overeenstemming is met de goede procesorde. Daarvan kan onder meer sprake zijn als de wederpartij door die behandeling (ter zitting) overvallen zou worden en zich niet adequaat zou kunnen verweren en dat de partij die het nieuwe geschilpunt aanvoert dit in een eerder stadium van de procedure had kunnen doen. Belanghebbende heeft zijn stelling ruim voor de zitting (zie 4.0.5) ingebracht. De heffingsambtenaar heeft zich verder ook inhoudelijk kunnen verweren op de stelling van belanghebbende, zodat naar het oordeel van het hof geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Het hof rekent het nader stuk van 8 mei 2026, en de daarin betrokken stellingen, tot de gedingstukken.
Handtekening volmacht
4.0.7.
In zijn bericht van 28 april 2026 heeft de heffingsambtenaar het hof verzocht van belanghebbende een ‘natte handtekening’ en legitimatie op te vragen. De heffingsambtenaar stelt dat de handtekeningen van belanghebbende op de machtiging in beroep en in hoger beroep niet op elkaar lijken.
4.0.8.
Het hof stelt vast dat de handtekeningen niet identiek zijn. Nu de handtekeningen over een tijdsspanne van enkele jaren zijn gezet, mag worden verwacht dat deze van elkaar verschillen. De mate van afwijking is naar het oordeel van het hof passend bij deze tijdsspanne. Het hof heeft in de handtekeningen daarom geen aanleiding gezien tot het opvragen van een natte handtekening en/of legitimatie van belanghebbende, dan wel tot het oproepen van belanghebbende op grond van artikel 8:44 Awb Pro.
Ten aanzien van het geschil
Vraag i) Zijn de kosten van de naheffingsaanslag in strijd met de daarvoor geldende regels vastgesteld?
4.1.
Het hof zal eerst beoordelen of de gemeente Tilburg de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2022 al dan niet te hoog heeft vastgesteld in de Verordening.
4.2.
In artikel 234, lid 5, Gemeentewet staat, voor zover hier relevant, dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht.
4.3.
In artikel 2, lid 1, van het Besluit staat dat de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, lid 5, Gemeentewet ten hoogste kunnen bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
vaste informatieverwerkingskosten;
variabele informatieverwerkingskosten;
kosten van afschrijving;
kosten van interest;
personeelskosten;
overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
In lid 2 van dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht.
Invorderingskosten en kosten van bezwaarafhandeling
4.4.
Belanghebbende voert aan, onder verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024 [2] , dat invorderingskosten (kosten voor aanmaningen en dwangbevelen) niet thuishoren in de kosten van de naheffingsaanslag. Belanghebbende betoogt verder dat de kosten van bezwaarafhandeling eveneens niet thuishoren in de kosten van de naheffingsaanslag.
4.5.
De heffingsambtenaar stelt dat invorderingskosten en kosten van bezwaarafhandeling, hoewel genoemd in bijlage 2 ‘Kostprijs Naheffingsaanslag’, behorende bij de Verordening, niet zijn opgenomen als kostenpost. Ter onderbouwing hiervan heeft de heffingsambtenaar een nadere onderbouwing in het geding gebracht ter berekening van het in bijlage 2 ‘Kostprijs Naheffingsaanslag’ genoemde bedrag van € 2.038.942 (zie 2.4).
4.6.
Het hof stelt voorop dat op de heffingsambtenaar de last rust om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit blijkt dat in de kosten van de naheffingsaanslagen geen kosten zijn opgenomen die in strijd komen met het bepaalde in artikel 2 van Pro het Besluit. Naar het oordeel van het hof is de heffingsambtenaar, voor wat betreft de door de belanghebbende gestelde invorderingskosten en kosten van bezwaarafhandeling, hierin geslaagd. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde onderbouwing volgt dat in de kosten van de naheffing geen invorderingskosten, dan wel kosten van bezwaarafhandeling zijn begrepen.
Kosten voor aanvraag toetsing en uitgifte parkeerrechten en kosten voor geldinzameling en onderhoud parkeerautomaten
4.7.
Belanghebbende stelt dat de kosten voor aanvraag, toetsing en uitgifte van parkeerrechten geen verband houden met het opleggen van naheffingsaanslagen. Voor het verkrijgen van een parkeervergunning betaalt de aanvrager parkeerbelasting, aldus belanghebbende. Ook de kosten voor het inzamelen van geld bij de parkeerautomaten worden niet gemaakt voor het opleggen van de naheffingsaanslagen. Ook als er geen naheffingen worden opgelegd, moet de gemeente de automaten immers legen. Datzelfde geldt voor onderhoud van parkeerautomaten, aldus belanghebbende.
4.8.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat artikel 2 van Pro het Besluit aldus moet worden uitgelegd dat de kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting volledig mogen worden toegerekend. De heffingsambtenaar stelt dat kosten voor de aanvraag toetsing en uitgifte parkeerrechten en kosten voor geldinzameling en onderhoud van parkeerautomaten meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting en derhalve terecht zijn opgenomen in de kosten naheffingsaanslag.
4.9.
De voorwaarde voor de toerekenbaarheid van kosten was in de oorspronkelijke tekst van artikel 2, lid 1, van het Besluit verwoord als “rechtstreeks voortvloeien uit” (de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen). Dat is per 1 juli 2019 gewijzigd in “samenhangen met”. Deze tekstuele wijziging brengt mee dat de maatstaf voor de toerekenbaarheid van de kosten is verruimd. Kosten hoeven blijkens de toelichting op deze wijziging niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelasting te worden gemaakt om toerekenbaar te zijn. Het Besluit is op dit punt geformuleerd conform de modelbepalingen voor het verhalen van kosten. [3] De ruime formulering van ‘samenhangen met’ brengt mee, dat kosten die meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting kunnen worden toegerekend. [4] Deze uitleg brengt bovendien mee, dat ingeval de kosten voor ten minste 10% samenhangen, ze volledig mogen worden toegerekend. [5] Slechts de kosten die geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, alsmede de kosten die reeds op andere wijze worden verhaald, mogen niet worden toegerekend.
4.10.
Gelet op deze uitgangspunten en de toelichting door de heffingsambtenaar voldoet de kostenraming aan de gestelde eisen. De betwiste posten, bestaande uit kosten voor aanvraag toetsing en uitgifte parkeerrechten en kosten voor geldinzameling en onderhoud parkeerautomaten, houden namelijk meer dan slechts zijdelings verband met het opleggen van naheffingsaanslagen, zodat ze volledig mogen worden toegerekend. De fiscale parkeerhandhaving in de gemeente Tilburg bestaat uit een samenhangend en onlosmakelijk verbonden geheel van systemen, apparaten, processen, mensen, hardware en software. De systemen voor de parkeercontrole met scanauto’s worden rechtstreeks ‘gevoed’ vanuit parkeerautomaten, parkeerapps en vergunningensystemen. Het hele systeem is erop ingericht dat naheffing van niet-betalers kan plaatsvinden, zo begrijpt het hof uit het dossier. Naar het oordeel van het hof is het daarom terecht dat nagenoeg alle kosten die samenhangen met de gemeentelijke fiscale parkeerregulering in de raming zijn meegenomen. Hetgeen belanghebbende hier tegenin heeft gebracht, is onvoldoende om anders te oordelen.
Vraag ii) Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd nu de gemeente Tilburg onderscheid maakt tussen parkeren met en zonder BezoekersApp?
4.11.
Belanghebbende stelt dat uit de Verordening volgt dat in de zone waar hij heeft geparkeerd voor het parkeren bij parkeerapparatuur een tarief geldt van € 1 per uur dan wel € 0,20 per uur. Het lagere tarief van € 0,20 per uur is uitsluitend van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van de BezoekersApp. Belanghebbendes klacht richt zich tegen dit onderscheid. Naar de mening van belanghebbende wordt ten onrechte onderscheid gemaakt tussen gebruikers van een BezoekersApp en overige parkeerders (het straatparkeren), zonder dat voor dat onderscheid een wettelijke grondslag bestaat.
Ter zitting heeft belanghebbende nog toegelicht dat het parkeren via de BezoekersApp geen vergunningbelasting is, als bedoeld in artikel 225, lid 1, onderdeel b, Gemeentewet. Omdat er betaald moet worden voorafgaand aan elke parkeeractie is sprake van ‘feitelijke parkeerbelasting’ als bedoeld in onderdeel a van artikel 225, lid 1, Gemeentewet. Hieruit volgt dat de gemeente twee tarieven hanteert voor de feitelijke parkeerbelasting. Dat is niet toegestaan, aldus belanghebbende. Het tariefonderscheid in de Verordening ontbeert daarom verbindende kracht. Hieraan verbindt belanghebbende het gevolg dat het hogere tarief van € 1 niet rechtsgeldig aan belanghebbende kon worden opgelegd, zodat de naheffingsaanslag onjuist is. De naheffingsaanslag dient met € 0,80 verlaagd te worden (zijnde het verschil tussen het tarief van € 1 en het tarief van € 0,20).
4.12.
De heffingsambtenaar stelt dat het parkeren via de BezoekersApp onderdeel uitmaakt van het stelsel van parkeervergunningen en is aan te merken als een vorm van vergunningbelasting. Het gereduceerde tarief dat binnen de bezoekersregeling geldt, is besloten in de parkeerbelasting die wordt geheven ter zake van de parkeervergunning voor bewoners. Slechts onder de in de beleidsregels strikt omschreven voorwaarden kan een bezoeker van deze regeling gebruikmaken, aldus de heffingsambtenaar.
4.13.
Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel verbiedt dat de gemeente Tilburg een vergunningbelasting heft, waarbij bezoekers voorafgaande en per parkeeractie moeten betalen. Anders dan belanghebbende mogelijk meent, is er ook geen rechtsregel die voorschrijft dat de gemeente Tilburg een dergelijke belasting niet via een online applicatie, zoals de BezoekersApp mag heffen. Belanghebbendes klacht dat ten onrechte onderscheid wordt gemaakt en er in feite sprake is van twee tarieven voor feitelijk parkeren op straat gaat niet op. Beide gevallen zijn immers niet gelijk aangezien de bezoekers parkeren met gebruik van de vergunning van die bewoners en dus sprake is van vergunningparkeren en niet van feitelijk parkeren als bedoeld in artikel 225, lid 1, onderdeel a, Gemeentewet. Hieruit volgt dat de klacht van belanghebbende faalt. Het tarief van € 0,20 wordt geheven als vergunningbelasting. Het tarief van € 1 is rechtsgeldig aan belanghebbende opgelegd, zodat het bedrag van de naheffingsaanslag juist is.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3099.
3.Stb. 2019, 46, p. 8.
4.Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
5.Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24, r.o. 4.3.6 en 4.3.7.