ECLI:NL:GHSHE:2026:555

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
20-001073-25 (PROMIS)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opzettelijk aanwezig hebben van 246 kilo lachgas in Teteringen

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand wegens het opzettelijk aanwezig hebben van 246 kilo lachgas. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis en verklaart het bewezen dat verdachte op 5 juni 2024 in Teteringen 246 kilo lachgas in zijn machtssfeer had.

De bewijsmiddelen bestonden uit meldingen van verdachte activiteiten, observaties van politie, het aantreffen van 123 volle flessen lachgas in een Citroën, en chatberichten op een telefoon van verdachte die duiden op handel in lachgas. Verdachte had de autosleutel van de Citroën in zijn bezit en was op een afgelegen parkeerplaats nabij de Citroën aanwezig.

Het hof oordeelt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het aanwezig hebben van lachgas en verwerpt het verweer dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid. Gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid lachgas en de dealerindicatie, legt het hof een gevangenisstraf van 9 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Verdachte is een first offender en dit is meegewogen in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, wegens het opzettelijk aanwezig hebben van 246 kilo lachgas.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001073-25
Uitspraak : 11 februari 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-300286-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ (kort gezegd: het opzettelijk aanwezig hebben van 246 kilo lachgas) veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Teteringen, gemeente Breda, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 246 kilo distikstofmonoxide (lachgas), in elk geval een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 juni 2024 te Teteringen, gemeente Breda, opzettelijk aanwezig heeft gehad 246 kilo distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met zaakregistratienummer: PL2000-2024141547, in de wettige vorm opgemaakt en op 4 juli 2024 gesloten door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, aantal dossierpagina’s: 82.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 12-15, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :
(pagina 12)
Op 21 mei 2024 kwam er bij Meld Misdaad Anoniem de volgende melding binnen:
(...)
Er vinden onverklaarbare en mogelijk ondermijnende activiteiten plaats waar een witte
Mercedes bus, met het kenteken [kenteken 1] , bij betrokken is. De bus staat op een leeg
veld aan de [locatie 1] in Teteringen. Gedurende de hele dag en
nacht wordt de auto regelmatig bezocht door inzittenden van verschillende auto’s.
Deze mensen leggen iets in de bus en halen iets uit de bus. De bus staat er al enkele
weken. Dit voertuig is nader te noemen Mercedes [kenteken 1] .
(...)
Door mij, verbalisant, werd ter plaatse aan de [locatie 1] te Teteringen een onderzoek ingesteld. Ik trof de Mercedes [kenteken 1] aldaar aan. Ik zag dat er naast deze bus een bestelauto was geparkeerd, dit betrof een Citroën Nemo,
voorzien van het kenteken: [kenteken 2] .
(pagina 13)
Ik heb ook dit voertuig in het politiesysteem opgezocht en hierin kwam ik diverse meldingen tegen, op diverse locaties in Breda, alwaar dit voertuig is gezien. Hierbij worden telkens pakketjes uit het voertuig gehaald. Ook wordt er in meerdere mutaties gesproken over het feit dat er mogelijk lachgas in dit voertuig wordt opgeslagen.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen (PL2000-2024127259-6), dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :
(pagina 24)
Op 5 juni 2024 was ik belast met een observatie van een bestelauto, Citroën, type Nemo, voorzien van het kenteken: [kenteken 2] .
(...)
Op 5 juni 2024 te 21:30 uur zag ik een personenauto, van het merk Opel, type Astra, voorzien van het kenteken: [kenteken 3] de parkeerplaats op rijden, alwaar de Citroën [kenteken 2] geparkeerd stond. Deze parkeerplaats is zeer klein en lastig te vinden indien je niet bekend bent in Teteringen. Het was mij ambtshalve bekend dat deze Opel Astra werd genoemd in een melding waarbij de melder aangaf dat hij dit voertuig met regelmaat bij deze Citroën [kenteken 2] alsmede de Mercedes [kenteken 1] aan kwam gereden zonder verlichting en dat de inzittende van deze Astra hier pakketten uit zou halen, dit zou vaak gebeuren.
Gezien het bovenstaande heb ik opvallende politiecollega's verzocht de Opel Astra en
inzittende te controleren.
3.
Het proces-verbaal aanvullend (los document) van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, proces- verbaalnummer PL2000-2024127259-22, in de wettige vorm opgemaakt en afgesloten d.d. 18 januari 2025 door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als aanvullende bevindingen van deze verbalisant:
Door mij werd in proces-verbaal PL2000-2024127259-6 een verwijzing gemaakt:
Het was mij ambtshalve bekend dat deze Opel Astra werd genoemd in een melding waarbij de melder aangaf dat hij dit voertuig met regelmaat bij deze Citroën [kenteken 2] alsmede de Mercedes [kenteken 1] aan kwam gereden zonder verlichting en dat de inzittende van deze Astra hier pakketten uit zou halen, dit zou vaak gebeuren.
Hier verwijs ik naar een melding van een inwoner uit Teteringen die het volgende heeft gemeld (...) op 26 mei 2024.
MD (melder) ziet regelmatig op de parkeerplaats aan de overkant verdachte auto’s met kenteken: Sprinter [kenteken 1] - Citroën Nemo [kenteken 2] – (...) Astra [kenteken 3] , die dan zonder lichten aan komen rijden en zonder lichten wegrijden. MD denkt dat hier drugs wordt verhandeld. De Astra staat er nu en daar wordt een pakket uitgehaald. MD heeft een tijdlijn bijgehouden. Vaak komen ze tussen 21:00 23:00 en 01:00 en 03:00.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 6-8, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] :
(pagina 6)
Op 5 juni 2024 was ik samen met politieambtenaar [verbalisant 4] belast met een actie naar aanleiding van meerdere MMA’s (meld misdaad anoniem meldingen) (...) in gemeente Breda.
Omstreeks 21:30 uur kregen wij vanuit de aanstuurder van de actie het bericht dat er
bij een voertuig genoemd in de MMA melding, waar vermoedelijk verdovende middelen in lagen, een ander voertuig met kenteken [kenteken 3] was gestopt. Het voertuig wat daar was gestopt werd ook met kenteken genoemd in de MMA meldingen. Dit was op een parkeerplaats achter de [adres 2] in Teteringen .
Politieambtenaren [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] waren als eerste ter plaatse en
troffen daar een persoon, die later verdachte [verdachte] bleek te zijn. Ik zag dat politieambtenaar [verbalisant 6] met [verdachte] naast het voertuig van [verdachte] stond. Ik hoorde dat politieambtenaar [verbalisant 6] aan [verdachte] vroeg of hij verboden zaken bij zich had. Ik hoorde dat [verdachte] antwoorde met: “Nee, je mag kijken in mijn auto als je wil, ik heb niks bij me.” Ik zag dat [verdachte] op enig moment in zijn auto reikte en daar twee autosleutels uit haalde. Ik zag dat [verdachte] de autosleutels in zijn broekzak wilde stoppen. Ik hoorde politieambtenaar [verbalisant 6] zeggen dat hij (
het hof begrijpt: [verdachte]) de autosleutels op het dak van zijn auto moest leggen. Ik zag direct dat er een Citroën sleutel bij zat. Het voertuig waar vermoedelijk verdovende middelen in zouden liggen was een Citroën. Ik pakte de Citroën sleutel en liep naar het voertuig waar vermoedelijk verdovende middelen in lagen.
Ik drukte op de knop van de sleutel en zag en hoorde dat het voertuig van het slot af ging. Ik opende de laadruimte aan de achterzijde van de Citroën en zag dat er voor mij ambtshalve bekende dozen in lagen waar normaliter 2 kg flessen lachgas/ distikstofmonoxide in zitten. Tevens zag ik een doos bij de vermoedelijke lachgas/ distikstofmonoxide flessen liggen met daarin kleine zakjes met zwarte ballonnen. Ambtshalve is mij bekend dat lachgas/distikstofmonoxide gebruikers vaak ballonnen gebruiken om lachgas/distikstofmonoxide te inhaleren. Ik zag dat het een grote hoeveelheid vermoedelijk lachgas/distikstofmonoxide flessen waren. Na latere
telling bleek het te gaan om 123 stuks.
(pagina 7)
Voertuigen
Bedrijfsauto: Citroën Nemo, [kenteken 2]
Personenauto: Opel Astra, [kenteken 3]
5.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 9-11, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] :
(pagina 9)
Op 5 mei 2024 werd ik samen met mijn collega [verbalisant 5] (...) gestuurd naar de [locatie 2] te Teteringen. Aldaar zou een persoon in een voertuig zitten van het [merk] Opel voorzien van kenteken [kenteken 3] . Mij werd verzocht de personalia te controleren van de persoon en tevens te achterhalen of deze betrokken was bij het geparkeerde voertuig voorzien van kenteken [kenteken 2] [merk] Citroën.
Eenmaal ter plaatse zag ik een persoon in de Opel zitten, hierop verzocht ik de persoon uit te stappen. Ik liep met de persoon naar de passagierskant van zijn voertuig. Ik vroeg aan de persoon of deze zich kon legitimeren. Ik zag dat [verdachte] de passagiersdeur van zijn voertuig open deed. Ik zag dat [verdachte] een zwarte portemonnee/ kaartenhouder uit het middelconsole van zijn voertuig pakte. Ik zag dat de betreffende persoon mij een geldig Nederlands rijbewijs overhandigde. Ik [zag dat] de betreffende persoon [verdachte] , geboren [geboortedag] 2005 (18) te [geboorteplaats] , genaamd was.
(...)
Ik zag dat [verdachte] aan het trillen was, ik hoorde dat [verdachte] aan het
stotteren was, ik kreeg de indruk dat [verdachte] nerveus was. Ik vroeg aan [verdachte] of hij in het bezit was van goederen welke volgens de wet strafbaar [zijn], ik hoorde [verdachte] aangeven (...) dat ik en mijn collega’s in zijn auto mochten
kijken. Ik besloot om gebruik te maken van zijn aanbod.
Saillant detail is dat [verdachte] , via de passagierszijde, gelijk de auto in dook richting het middenconsole, ik zag dat de handen van [verdachte] leeg waren op het
moment dat hij de auto in dook, ik zag dat [verdachte] twee autosleutels uit het
middenconsole pakte, ik zag dat [verdachte] deze autosleutels in zijn rechter broekzak wilde stoppen. Ik gaf aan dat [verdachte] de sleutels op het dak van de auto moest leggen. Ik wil u meegeven dat er geen goederen op het dak van de auto lagen voordat [verdachte] twee autosleutels er op had gelegd.
Ik zag dat een sleutel toebehoorde aan een Opel. Ik zag dat de andere autosleutel toebehoorde aan een Citroën.
(pagina 10)
Ik wil u meegeven dat het geparkeerde voertuig ook van het merk Citroën was. Ik zag dat mijn collega de autosleutel van de Citroën pakte en vervolgens naar de Citroën liep. Ik zag dat mijn collega de auto opende, ik zag dat mijn collega’s grote hoeveelheden lachgas aantroffen in de laadruimte van de Citroën.
6.
Het proces-verbaal Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dossierpagina’s 47-53, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] :
(pagina 47)
Controleplaats: [locatie 2] , Teteringen, binnen de gemeente Breda
Datum/tijd controle: woensdag 5 juni 2024 tussen 21:30 uur en 21:40 uur
Als chauffeur kan worden aangemerkt: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005.
(pagina 48)
Op 5 juni 2024 was ik betrokken bij een actie op een voertuig waarvan het vermoeden was dat er vanuit gehandeld werd in verdovende middelen. Het voertuig stond geparkeerd in een woonwijk op een parkeerplaats. Na controle bleek de laadruimte van het voertuig gevuld te zijn met in totaal 123 flessen lachgas van 2 kg netto. Verdachte werd naast het voertuig in zijn eigen voertuig gecontroleerd met de sleutel van het voertuig met de lachgas in zijn bezit.
(...)
Drukhouders
Ik stelde een onderzoek naar de vervoerde lading in en zag dat er drukhouders (gasflessen) werden vervoerd. Ik zag dat dit in totaal 123 drukhouder(s) betrof.
Volle flessen
Ik zag dat de afsluiters van 123 van deze drukhouder(s) waren voorzien van een
verzegeling. Hieruit concludeerde ik dat deze drukhouders volledig gevuld waren. Uit
het onderzoek bleek mij dat deze drukhouders in totaal 246 kilogram lachgas konden
bevatten.
7.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 21-23, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] :
(pagina 21)
[Op] 5 juni 2024 [is] een postactie gedaan aan de [locatie 2] te Teteringen en is aangehouden: [verdachte] van [geboortedag] 2005 . [verdachte] zat op dat moment in een donkerkleurige Opel Astra met kenteken [kenteken 3] en in dit voertuig lagen in de middenconsole twee telefoons.
[Er is] destructief onderzoek gedaan naar de twee telefoons en ik heb deze doorzocht.
(...) Op de Redmi 10 zag ik het volgende:
Ik zag dat over een periode van 05-06-2024 tot 14-02-2023 meerdere app berichten
stonden waarin de “owner” klanten informatie geeft over onder andere de prijs van
lachgastanks. Ik zag dat owner de prijs van 70 euro vroeg voor 1 tank van 2
kilogram. Ook zag ik dat hij personen aanstuurde om naar de klanten te gaan, hierbij
noemde hij de adressen waar ze moesten leveren.
8.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina’s 34-40, voor zover inhoudende de vragen aan en beantwoording door de verdachte [verdachte] :
Vervoer
V: Van welk vervoersmiddel maak je gebruik?
A: Ik heb een auto en deze staat op mijn naam.
V: Wat voor auto is het?
A: Een Opel Astra.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte het tenlastegelegde ontkent. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de op zijn naam staande Opel Astra is aangetroffen, wil niet zeggen dat hij daarover te allen tijde de beschikking had. Wellicht hebben derden iets (
het hof begrijpt dat met ‘iets’ wordt bedoeld: de autosleutel van de Citroën met kenteken [kenteken 2]) in zijn auto achtergelaten, aldus de raadsman. Hoewel er geen aanleiding is te twijfelen aan de gerelateerde warnemingen van de verbalisanten met betrekking tot de autosleutels die op het dak van de auto van de verdachte zijn aangetroffen, had de verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van de autosleutel van de Citroën. Die sleutel kwam hem niet bekend voor. Bovendien kan de verdachte niet bij de in de Citroën aangetroffen dozen met flessen lachgas geplaatst worden. Door de politie is niet waargenomen dat de verdachte deze dozen in of uit het voertuig heeft geladen. Ook is geen onderzoek naar DNA-sporen gedaan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat op grond van bestendige jurisprudentie ter zake van het aanwezig hebben van verdovende middelen voor een bewezenverklaring dienaangaande niet doorslaggevend is aan wie de drugs toebehoren, noch is vereist dat bij de verdachte sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich
a)in de machtssfeer van de verdachte bevinden, dat wil zeggen dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat de verdachte
b)wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).
Uit de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal van bevindingen volgt dat verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] op 5 juni 2024 hebben waargenomen dat de verdachte twee autosleutels uit (het middenconsole van) zijn Opel Astra heeft gepakt en deze desgevraagd op het dak van de auto heeft neergelegd. De ene autosleutel behoorde bij de Opel Astra en de andere bij een Citroën met kenteken [kenteken 2] . Net als de raadsman, heeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan deze waarnemingen van de verbalisanten.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte zijn Opel Astra heeft geparkeerd op een afgelegen parkeerplaats, nabij voornoemde Citroën. In deze Citroën zijn geen personen aangetroffen, maar wel 246 kilogram lachgas. Voorts stelt het hof op basis van het onderzoek vast dat het om een afgelegen parkeerplaats ging, waar verder niemand was en verder niets te doen was. In het middenconsole van de Opel Astra zijn bovendien twee telefoons aangetroffen en op één van deze telefoons – een Redmi 10 – staan chatberichten die duiden op de handel in lachgas.
Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de verdachte op 5 juni 2024 te Teteringen met het (in het middenconsole van zijn Opel Astra) in bezit hebben van de autosleutel van de Citroën met kenteken [kenteken 2] , waarin de tenlastegelegde 246 kilogram lachgas zich bevond, direct toegang had tot de in die auto aangetroffen dozen met flessen lachgas en daardoor deze verdovende middelen in zijn machtssfeer had.
Voor wat betreft de wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen wijst het hof op het volgende.
De verdachte heeft zich tijdens zijn verhoor bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen omtrent de feiten en omstandigheden zoals hiervoor geschetst. Daarnaast heeft de verdachte geen gebruik gemaakt van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg en in hoger beroep en heeft derhalve geen uitleg gegeven omtrent de voorliggende feiten en omstandigheden. Bestendige jurisprudentie brengt met zich dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken. (vgl. o.a. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323 en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022).
De verdachte heeft echter geen verklaring gegeven voor het feit dat hij op woensdag 5 juni 2024 in de avond aan de [locatie 2] te Teteringen aanwezig was op de afgelegen parkeerplaats of voor één van de andere voornoemde omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit. Het hof betrekt dat in zijn overwegingen omtrent het voorliggende bewijsmateriaal en komt op grond van de voorliggende feiten en omstandigheden tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op woensdag 5 juni 2024 in de avond aan de [locatie 2] te Teteringen opzettelijk lachgas aanwezig heeft gehad, althans, gezien de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de aanwezigheid daarvan in de Citroën. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van in totaal 246 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), zoals tenlastegelegd.
Alle voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd zijn redengevend voor het bewijs dat verdachte wist dat zich in die Citroën flessen met lachgas bevonden.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 246 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instand-houding van deze problematiek.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde,
niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de omstandigheid dat, naast de grote hoeveelheid aangetroffen lachgas, ook chatberichten omtrent de handel in lachgas op een onder de verdachte aangetroffen telefoon zijn gevonden, hetgeen maakt dat sprake is van een dealerindicatie.
Daarnaast heeft het hof in het voordeel van de verdachte acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 november 2025 niet eerder is veroordeeld en derhalve als ‘first offender’ dient te worden aangemerkt. Het hof heeft tevens rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Ten slotte heeft het hof bij het bepalen van de strafoplegging aansluiting trachten te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Hoewel daaruit volgt dat voor het aanwezig hebben van 25-250 kilogram softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden als uitgangspunt wordt genomen, is het hof van oordeel dat dit oriëntatiepunt minder passend is als het gaat om lachgas. Ook de door de advocaat-generaal genoemde Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003) van het Openbaar Ministerie laat zich in dit geval moeilijk als oriëntatiepunt dienen, nu deze niet verder gaat dan de categorie die ziet op een hoeveelheid van meer dan 40 kilogram lachgas (met als richtlijn een taakstraf vanaf 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand). In de onderhavige zaak gaat het immers om meer dan zes keer zoveel lachgas. Om die reden heeft het hof gekeken naar de straffen die grosso modo in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij het gewicht de maatstaf vormt. Alles afwegende acht het hof, in dit geval, een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Deze ‘stok achter de deur’ acht het hof noodzakelijk gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen lachgas en de dealerindicatie.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort en mr. M.C.E. Joosen, griffiers,
en op 11 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Farber is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.