Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:589

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
23/836
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet OB 1968Art. 2 Wet OB 1968Art. 12 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968Art. 20 Algemene wet rijksbelastingenArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag omzetbelasting bij intracommunautaire verwerving auto

Belanghebbende kocht een auto via een Duitse GmbH, waarbij eerst een huurovereenkomst werd gesloten en later de auto werd gekocht. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens het niet aangeven van een intracommunautaire verwerving in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een levering en dat de auto duurzaam in Nederland werd gebruikt, waardoor de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het hof onderschrijft dit oordeel en wijst het verweer van belanghebbende af dat sprake zou zijn van verhuur of dat de auto niet in Duitsland was opgehaald.

Verder oordeelt het hof dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden, dat een tweede naheffingsaanslag na vernietiging van de eerste is toegestaan, en dat de opgelegde verzuimboete passend is. Het hof bevestigt ook dat het griffierecht vooraf betaald moet worden en dat de proceskostenvergoeding forfaitair is, zonder aanleiding tot vergoeding van werkelijke kosten.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De zaak betreft een complexe fiscale kwestie rondom de kwalificatie van levering en intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting en verzuimboete.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/836
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 april 2023, nummer BRE 19/2426, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2013 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 23/856.
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Het hof heeft vervolgens beslist dat de zaak zal worden aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zaak met nummer 23/02907, naar aanleiding van de conclusie van advocaat-generaal Koopman van 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379.
1.9.
De Hoge Raad heeft op 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1410, arrest gewezen. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2025 gereageerd op het door de Hoge Raad gewezen arrest. Gelet hierop heeft het hof beslist dat het onderzoek in de zaak zal worden heropend en dat het hoger beroep in de zaak op een nadere zitting zal worden behandeld. Het hof heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld eveneens te reageren op het door de Hoge Raad gewezen arrest. De inspecteur heeft op 13 november 2025 een schriftelijke reactie gegeven. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende.
1.10.
Belanghebbende heeft vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.11.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 6] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 23/856.
1.12.
Het hof heeft aan het einde van de nadere zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Op 28 februari 2013 sluit belanghebbende een koopovereenkomst voor de aankoop van een [merk auto] (hierna: de auto) met [bedrijf 1] BV. (hierna: [bedrijf 1] ).
2.2.
Op 17 juni 2013 wordt een koopbevestiging opgesteld voor dezelfde auto met als koper [koper] Gmbh (hierna: [koper] ). [koper] is een Duitse ondernemer gevestigd in [plaats 1] Duitsland. De prijs van de auto exclusief btw en bpm is € 229.704. [bedrijf 1] factureert aan [koper] met vermelding van het Duitse kenteken van de auto en als afleverdatum 19 juli 2013. Deze factuur wordt door [koper] voldaan.
2.3.
Op 25 juni 2013 sluit belanghebbende een huurovereenkomst met [koper] voor de auto. De maandelijkse huursom bedraagt blijkens dit contract € 5.150 exclusief omzetbelasting. Daarnaast moet de huurder volgens het contract jaarlijks € 4.000 vergoeden voor verzekering en € 1.000 voor belasting. De kilometerstand bij aanvang is volgens de overeenkomst 10 kilometer. Volgens deze huurovereenkomst zijn alle kosten van brandstof, reiniging, onderhoud, olie verversen, banden en remmen voor rekening van belanghebbende. In de overeenkomst staat dat de auto in [plaats 1] , Duitsland aan belanghebbende wordt overgedragen. Volgens de overeenkomst moet belanghebbende een borg stellen voor de huur. De borg bedraagt € 231.250. De huurovereenkomst bevat verder een koopoptie. Belanghebbende is gerechtigd na afloop van de huurovereenkomst de auto te kopen conform de bepalingen van de koopovereenkomst die in bijlage 3 bij de huurovereenkomst staan. [koper] biedt belanghebbende al de mogelijkheid deze koopovereenkomst af te sluiten. De betaalde huurtermijnen alsmede het niet-benutte deel van de borgstelling komen in mindering op de koopprijs.
2.4.
De koopovereenkomst tussen [koper] en belanghebbende is gedateerd op 18 juni 2013. In de overeenkomst staat dat de auto een half jaar op naam van [koper] moet staan en in die periode huurt belanghebbende de auto.
2.5.
[koper] heeft een stil pandrecht op de auto gegeven aan belanghebbende voor de betaling van aflossing- en renteverplichtingen. De akte is op 25 juni 2013 gesloten. Volgens de akte heeft belanghebbende een vordering op [koper] van € 231.250 uit hoofde van een overeenkomst van geldlening waarvan de voorwaarden zijn vastgelegd in een onderhandse akte gedateerd 25 juni 2013.
2.6.
Belanghebbende betaalt op 17 juli 2013 een bedrag van € 231.250 aan [koper] als borg.
2.7.
De auto is op 9 juli 2013 toegelaten en op een Duits kenteken gezet. [bedrijf 1] factureert op 18 juli 2013 aan [koper] met vermelding van het Duitse kenteken van de auto en als afleverdatum 19 juli 2013. [koper] betaalt op 18 juli 2013 € 229.704 aan [bedrijf 1] .
2.8.
Op 20 juli 2013 wordt een gebruiksovereenkomst opgemaakt tussen [koper] en belanghebbende. De kilometerstand bij aanvang is 230. De overeenkomst loopt initieel van 20 juli 2013 tot 30 september 2013 en wordt door middel van aanvullende gebruiksovereenkomsten steeds verlengd tot 30 april 2014. [koper] factureert per kwartaal een aantal huurtermijnen aan belanghebbende. Deze huurtermijnen worden afgeboekt van de borg.
2.9.
Op 16 april 2014 wordt de auto geleverd door [koper] aan belanghebbende voor een bedrag van € 170.000 exclusief € 32.300 Duitse omzetbelasting. Het bedrag komt overeen met de aanvankelijke aanschafprijs minus de vervallen huurtermijnen. De kilometerstand van de auto betreft 7.243.
2.10.
De auto wordt door belanghebbende op 18 april 2014 geleverd aan [bedrijf 2] . In mei 2014 wordt voor de auto aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). De auto wordt vervolgens terug geleverd aan belanghebbende.
2.11.
De auto is in onderhoud geweest bij [bedrijf 1] , gevestigd in [plaats 2] . Hiervoor zijn door [bedrijf 1] de volgende onderhoudsfacturen opgemaakt:
Factuur-nummer
Factuur-datum
Werkorder-datum
Tenaamstelling
Opmerkingen
[nummer 1]
26-07-2013
16-07-2013
[bedrijf 1]
[nummer 2]
05-09-2013
07-08-2013
n.v.t.
Afleverklaar maken nieuwe auto
[nummer 3]
05-09-2013
07-08-2013
[koper]
Opgehaald en teruggebracht [woonplaats]
[nummer 4]
05-09-2013
07-08-2013
[koper]
[nummer 5]
30-09-2013
27-09-2013
[koper]
[nummer 6]
05-11-2013
28-10-2013
[koper]
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald
[nummer 7]
05-11-2013
28-10-2013
[koper]
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald bij [bedrijf 1]
[nummer 8]
04-12-2013
26-11-2013
[koper]
[nummer 9]
17-01-2014
23-12-2013
[koper]
[nummer 10]
17-01-2014
23-12-2013
[koper]
[nummer 11]
20-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 12]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 13]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 14]
15-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 15]
20-05-2014
09-04-2014
Belanghebbende
[nummer 16]
02-09-2014
03-07-2014
[koper]
[nummer 17]
02-09-2014
03-07-2014
[koper]
[nummer 18]
22-12-2014
29-09-2014
[koper]
[nummer 19]
22-12-2014
29-09-2014
[koper]
[nummer 20]
22-12-2014
29-09-2014
[koper]
[nummer 21]
30-04-2015
03-04-2014
Belanghebbende
Opgehaald in [woonplaats] , door klant opgehaald
2.12.
Op diverse onderhoudsfacturen van [bedrijf 1] en gebruiksovereenkomsten staan kilometerstanden vermeld:
Datum
Kilometerstand
Toename
16-7-2013
101
101
20-7-2013
230
129
7-8-2013
3.136
2.906
27-9-2013
3.872
736
28-10-2013
4.41
538
26-11-2013
4.711
301
23-12-2013
5.691
980
9-4-2014
7.689
1.998
2.13.
Op 17 oktober 2013 stuurt [koper] een rekening aan belanghebbende van € 56,93 voor een verkeersboete van 27 september 2013 in ’ [plaats 3] . Dit bedrag is op 5 november 2013 door belanghebbende aan [koper] betaald.
2.14.
Bij brief van 14 oktober 2016 heeft de inspecteur een aankondiging tot het opleggen van een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2013 aan belanghebbende gestuurd. Op 15 december 2016 wordt aangekondigd dat een vergrijpboete wordt opgelegd van 50%.
2.15.
Met dagtekening 26 juni 2017 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting, een vergrijpboete- en een belastingrentebeschikking opgelegd aan belanghebbende voor dit feitencomplex. De inspecteur heeft het daartegen ingediende bezwaar gegrond verklaard en vanwege schending van het verdedigingsbeginsel, de naheffingsaanslag, de vergrijpboete- en de belastingrentebeschikking vernietigd.
In de motivering van de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2018 is in de slotopmerkingen het volgende opgenomen:
“Ik wijs u nadrukkelijk op het volgende. Indien op een later tijdstip alsnog duidelijk wordt dat de belanghebbende te weinig omzetbelasting heeft afgedragen kan op grond van artikel 20 Algemene Pro wet rijksbelastingen een nieuwe naheffingsaanslag opgelegd worden.”
2.16.
De inspecteur heeft op 4 juni 2018 een informatiebeschikking gegeven en daarin onder meer de volgende vraag gesteld:
“1. (…) Klopt het dat uw cliënt de auto bij aanvang van de "huur" heeft opgehaald op het adres van [koper] in [plaats 1] Duitsland en vervolgens met de auto is door gereden naar zijn verblijf in Italië?”
De gemachtigde van belanghebbende heeft hierop als volgt gereageerd:
“Ja, belanghebbende heeft de auto in de periode van de aanvang van de huurovereenkomst bij [koper] GmbH opgehaald en daarmee naar Italië gereden.”
Tijdens het hoorgesprek op 22 november 2018 is hierover het volgende verklaard:
“De auto is gehuurd bij een Duitse GmbH vanwaar rechtstreeks naar Italië is gereden.
Vervolgens is in Italië rondgereden. [belanghebbende] heeft hier een tweede verblijf in [plaats 4] .”
De heer [naam 1] (van [bedrijf 3] , adviseur [bedrijf 1] ) heeft over de overdracht van de auto het volgende verklaard:
“(…) Bij navraag blijkt dat de auto door [koper] GmbH is opgehaald. De auto is daadwerkelijk naar Duitsland vervoerd in verband met de registratie aldaar. (…)”
Tijdens het hoorgesprek op 5 april 2019 heeft belanghebbende over de overdracht van de auto het volgende verklaard:
“ [belanghebbende] antwoordt dat hij de auto in Duitsland heeft opgehaald en stelt dat hij daarna naar Italië is gereden.”
2.17.
Per brief van 12 november 2018 kondigt de inspecteur opnieuw een naheffingsaanslag omzetbelasting aan. Op 22 november 2018 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigde en de inspecteur.
2.18.
Met de dagtekening 27 december 2018 legt de inspecteur opnieuw een naheffingsaanslag omzetbelasting op over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 voor een bedrag van € 48.238. Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een verzuimboete wegens niet betalen van € 4.823 opgelegd en belastingrente van € 9.580 in rekening gebracht.
2.19.
Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag, de boete- en de belastingrentebeschikking. Op 5 april 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigde en de inspecteur. Voorafgaand aan het horen heeft de inspecteur op grond van artikel 7:4 Algemene Pro wet bestuursrecht(hierna: Awb) inzage gegeven in de op de op de zaak betrekking hebbende stukken. Hierover is in het hoorverslag het volgende opgenomen:
“Inzien op de zaak betrekking hebbende stukken OB en BPM
De gemachtigde heeft conform artikel 7:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verzocht om - voorafgaand aan het hoorgesprek - inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Voorafgaand aan het horen zijn de stukken overhandigd aan de heren [gemachtigde 1] en [belanghebbende] . Beide heren hebben de stukken ingezien. Van één of twee pagina's hebben ze een foto gemaakt omdat dit kennelijk nieuw was. [naam 2] vraagt welke stukken dit betreft. De heer [gemachtigde 1] antwoordt dat hij hier geen antwoord op geeft.”
Bij uitspraak van 17 mei 2019 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.20.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van het onderhavige belastinggeschil heeft de rechtbank de verzuimboete met 20% gematigd tot € 3.858. Vanwege de samenhang met de bpm-zaak van belanghebbende met zaaknummer BRE 19/2660 is één vergoeding voor immateriële schade (van € 2.500) en één proceskostenvergoeding (van € 2.266) toegekend in de bpm-zaak. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 174 aan belanghebbende moet vergoeden en beslist dat, indien de vergoeding niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak door de rechtbank is gedaan.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd en of de rechtbank de juiste nevenbeslissingen heeft genomen.
Meer specifiek is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
  • i) Kan aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting worden opgelegd voor de intracommunautaire verwerving van de auto als eerder door [bedrijf 1] ten onrechte het 0%-tarief van Tabel II, letter a, onderdeel 6, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is toegepast?
  • ii) Is sprake van verhuur in plaats van een levering?
  • iii) Heeft op het moment van verhuur een intracommunautaire verwerving in Nederland plaatsgevonden?
  • iv) Is het verdedigingsbeginsel geschonden?
  • v) Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een naheffingsaanslag is opgelegd en vernietigd?
  • vi) Kan een verzuimboete worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een vergrijpboete is opgelegd en vernietigd?
  • vii) Heeft de inspecteur de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
  • viii) Zijn de rechtbank en het hof bevoegd uitleg te geven aan het Unierecht?
  • ix) Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU)?
  • x) Is van belanghebbende terecht (vooraf) griffierecht geheven?
  • xi) Heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat samenhang bestaat tussen de bpm-zaak en de ob-zaak van belanghebbende zodat maar één vergoeding voor immateriële schade en één proceskostenvergoeding moet worden toegekend?
  • xii) Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de boete- en de belastingrentebeschikking.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vraag (i) toepassen 0%-tarief
4.1.
Volgens belanghebbende heeft [bedrijf 1] de auto op 19 juli 2013 geleverd aan [koper] met toepassing van het 0%-tarief. Uit de feiten blijkt volgens belanghebbende niet dat de auto (fiscaal) naar Duitsland is vervoerd, zodat de auto voor de omzetbelasting niet kan zijn uitgevoerd en vervolgens ingevoerd. Volgens belanghebbende is de auto opgehaald bij [bedrijf 1] in [plaats 2] . Bovendien heeft [bedrijf 1] (in de persoon van de heer [naam 1] ) volgens belanghebbende bevestigd dat de toepassing van het 0%-tarief niet blijkt uit de boeken en bescheiden van [bedrijf 1] , hetgeen volgens artikel 12, lid 1, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wel vereist is. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het de inspecteur niet vrijstaat een naheffingsaanslag aan belanghebbende op te leggen nadat de inspecteur ervan heeft afgezien aan [bedrijf 1] een naheffingsaanslag op te leggen in verband met het ten onrechte toepassen van het 0%-tarief.
4.2.
De inspecteur stelt dat door belanghebbende onvoldoende is onderbouwd dat ten onrechte het 0%-tarief is toegepast in de transactie tussen [bedrijf 1] en [koper] . Bovendien is het volgens de inspecteur niet relevant of [bedrijf 1] wel of niet ten onrechte het 0%-tarief heeft toegepast, omdat dit niets verandert aan de transactie tussen [koper] en belanghebbende. Uit de feiten blijkt dat belanghebbende de auto heeft opgehaald bij [koper] in [plaats 1] (Duitsland), aldus de inspecteur.
4.3.
Het hof stelt voorop dat de stelling van belanghebbende dat de auto niet is opgehaald in Duitsland, maar in Nederland, feitelijke grondslag mist. Zowel belanghebbende als de heer [naam 1] (namens [bedrijf 1] ) hebben verklaard dat de auto door [koper] is opgehaald en naar [plaats 1] (Duitsland) is vervoerd, alwaar belanghebbende de auto heeft opgehaald (zie onder 2.16). Bovendien blijkt uit de huurovereenkomst (zie onder 2.3) dat de auto afgehaald moest worden in Duitsland. Of het 0%-tarief ten onrechte is toegepast in de transactie tussen [bedrijf 1] en [koper] acht het hof bovendien niet relevant, omdat dit niet relevant is voor de beslechting van het onderhavige geschil waarin de transactie tussen [koper] en belanghebbende centraal staat.
Vraag (ii) en (iii) levering / verhuur en intracommunautaire verwerving
4.4.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een levering, maar van verhuur. Subsidiair stelt belanghebbende dat geen intracommunautaire verwerving in Nederland heeft plaatsgevonden op het moment dat de verhuur is ingegaan, omdat belanghebbende de auto heeft opgehaald in Duitsland en daarmee direct naar Italië is gereden. Pas bij terugkomst in Nederland was sprake van een intracommunautaire verwerving, aldus belanghebbende. Van misbruik van recht is volgens belanghebbende geen sprake, omdat indien belanghebbende de auto bij een Duitse autodealer had besteld en een financial leaseovereenkomst had afgesloten, geen Nederlandse omzetbelasting verschuldigd zou zijn geweest.
4.5.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kunstmatige constructie waarin belanghebbende de auto niet zelf aankoopt en dientengevolge eigenaar wordt, maar deze laat aankopen door een derde ( [koper] ) en op die wijze tracht de heffing van omzetbelasting – alsmede van bpm en motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) – te ontwijken. Volgens de inspecteur leiden de feiten en omstandigheden in samenhang bezien primair tot de conclusie dat geen sprake is van verhuur, maar van een levering van een nieuw vervoermiddel door [koper] aan belanghebbende bij het aangaan van de koopovereenkomst (op 17 juni 2013) dan wel bij aanvang van de huurovereenkomst (op 25 juni 2013). Dat civielrechtelijk mogelijk sprake is van een verhuursituatie doet daaraan volgens de inspecteur niets af. Dit betekent dat belanghebbende op het moment van ‘levering’ door [koper] (ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst, ofwel aanvang van de huurovereenkomst) een intracommunautaire verwerving in Nederland had moeten aangeven ter zake van een nieuw vervoermiddel. Subsidiair stelt de inspecteur dat sprake is van misbruik van recht.
4.6.
De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen en geoordeeld:
“3.5. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder iº, van de Btw-richtlijn respectievelijk artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) kan belanghebbende zijnde niet-ondernemer voor een vervoermiddel een intracommunautaire verwerving verrichten. Het moet dan gaan om een nieuw vervoermiddel. Hiervan is sprake als het gaat om een levering binnen zes maanden na de eerste ingebruikname of als het vervoermiddel ten hoogste 6.000 kilometer heeft afgelegd. De rechtbank zal dan echter eerst de vraag moeten beantwoorden of er sprake is van een levering
[voetnoot 2: Artikel 3, lid 1 onder a Wet OB 1968].
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat er sprake is van een levering in het kader van de omzetbelasting als de feitelijke beschikkingsmacht van de auto is overgegaan. De overgang van de feitelijke beschikkingsmacht blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de door de inspecteur aangehaalde contracten. De contracten zijn zo opgesteld dat belanghebbende na zes maanden de auto koopt en dat het volledige risico bij belanghebbende ligt. Belanghebbende kan er zelfs voor kiezen om voor het einde van de termijn van zes maanden de juridische eigendom van de auto te verkrijgen. Daarbij heeft hij door de borgstelling het aankoopbedrag van de auto aan [koper] ter beschikking gesteld. Niet volgehouden kan worden dat belanghebbende niet de eindgebruiker is van de auto. Het is belanghebbende die de macht heeft verkregen om als eigenaar over de auto te beschikken. Alles is naar het oordeel van de rechtbank met zijn medewerking of medeweten gebeurd. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat de auto is opgehaald in Duitsland bij [koper] door belanghebbende. Dit blijkt uit onder meer uit de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende. Ter zitting is dit standpunt namens belanghebbende herhaald. Ook is door belanghebbende erkend dat hij de auto daarna in gebruik heeft gehad. Tussen partijen is echter alleen in geschil in hoeverre belanghebbende de auto in Nederland heeft gebruikt.
3.7.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of een verwerving van een nieuw vervoermiddel heeft plaatsgevonden in Nederland. In het arrest van 18 november 2010, zaak C-84/09, X tegen Skatteverket, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende overwogen:
“43 Het vervoer van vervoermiddelen is moeilijk te onderscheiden van het gebruik ervan. Bovendien is de kwalificatie van de handeling ingewikkeld doordat de btw uit hoofde van deze handeling ook moet worden voldaan door een niet-belastingplichtige particulier, op wie de aangifteverplichtingen en de boekhoudkundige verplichtingen niet van toepassing zijn, zodat een controle achteraf van zijn situatie niet mogelijk blijkt. Als eindverbruiker kan de particulier voorts geen aanspraak maken op het recht op aftrek van de btw zelfs in geval van herverkoop van het aangekochte voertuig en als gevolg daarvan heeft hij er meer dan een onderneming belang bij om zich aan de belasting te onttrekken.
44 Derhalve kan een handeling pas als een intracommunautaire verwerving worden aangemerkt na een globale beoordeling van alle objectieve feitelijke gegevens die relevant zijn om uit te maken of het aangekochte goed het grondgebied van de lidstaat van levering daadwerkelijk heeft verlaten en, zo dat het geval is, in welke lidstaat het eindverbruik ervan zal plaatsvinden.
45 Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn naast het chronologische verloop van het vervoer van het betrokken goed andere mogelijke relevante indicatoren de plaats waar het goed is geregistreerd en gewoonlijk wordt gebruikt, de woonplaats van de afnemer en het al dan niet bestaan van een band die de afnemer onderhoudt met de lidstaat van levering of een andere lidstaat.
(…)
48 Anders dan X stelt, kan in het kader van een intracommunautaire verwerving evenwel niet worden geëist dat het vervoer van een vervoermiddel onmiddellijk na levering en ononderbroken plaatsvindt en dat het betrokken goed vóór of tijdens dit vervoer niet op enige wijze wordt gebruikt.
49 Wanneer dergelijke starre voorwaarden zouden gelden, zou de koper immers de mogelijkheid krijgen om te kiezen in welke lidstaat het betrokken nieuwe vervoermiddel wordt belast, hetgeen haaks zou staan op de doelstelling van richtlijn 2006/112. Zoals de Zweedse regering ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, bestaat er bovendien geen enkele reden om een verschillende fiscale behandeling toe te passen naargelang de boot op een boottrailer naar Zweden wordt vervoerd dan wel naar Zweden vaart.
50 Van belang is immers uit te maken in welke lidstaat het betrokken vervoermiddel uiteindelijk duurzaam zal worden gebruikt. Het gebruik van dit vervoermiddel tijdens het transport, zelfs recreatief, vormt slechts een volkomen verwaarloosbare tijdspanne in vergelijking met de normale levensduur van een vervoermiddel.”
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat bij de levering van een voertuig, zoals hier, moet worden uitgemaakt in welke lidstaat dat voertuig uiteindelijk duurzaam zal worden gebruikt. Gelet op de woonplaats en de nationaliteit van belanghebbende en het erkend gebruik en ook het onderhoud van het voertuig in Nederland, is de rechtbank van oordeel dat het van meet af aan belanghebbendes bedoeling is geweest om het duurzame eindgebruik plaats te laten vinden in Nederland. Dat belanghebbende het voertuig ook in het buitenland heeft gebruikt, doet hier niet aan af. Dit brengt mee dat de levering van het voertuig moet worden aangemerkt als een intracommunautaire levering en dat dit heeft geleid tot een intracommunautaire verwerving door belanghebbende in Nederland. De inspecteur heeft terecht een naheffingsaanslag voor de verschuldigde OB aan belanghebbende opgelegd. De stelling van belanghebbende dat niet aan belanghebbende maar aan de leverancier van de auto een naheffingsaanslag opgelegd had moeten worden, maakt dit niet anders.”
4.7.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt deze. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. Aan beantwoording van de vraag of, zoals de inspecteur heeft gesteld, sprake is van misbruik van recht wordt gelet op het voorgaande niet meer toegekomen.
Vraag (iv) verdedigingsbeginsel
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verdedigingsbeginsel in de bezwaarfase is geschonden omdat diverse stukken die mogelijk strekken ter verdediging niet door de inspecteur ter inzage zijn gelegd. Dit betreft (onder andere) (i) de stukken waaruit blijkt op basis waarvan [koper] inzage heeft gegeven in de administratie, (ii) de bevestiging van [koper] dat de auto door [koper] naar Duitsland is vervoerd, (iii) het verslag van het gesprek tussen de heer [naam 1] van [bedrijf 1] en de heer [naam 3] van de Belastingdienst en (iv) het verslag van het bezoek van 2 april 2014 van de heer [naam 3] van de Belastingdienst aan de heer [naam 1] van [bedrijf 1] .
4.9.
De inspecteur stelt dat voorafgaand aan het hoorgesprek op 5 april 2019 inzage in de op de zaak betrekking stukken is verleend aan belanghebbende en diens gemachtigde en daarvan gebruik hebben gemaakt. Dit geldt volgens de inspecteur ook voor de door belanghebbende in hoger beroep genoemde stukken, voor zover die stukken bestaan.
4.10.
Het hof stelt vast dat belanghebbende in de bezwaarfase, voorafgaand aan het horen, inzage heeft gehad in de op de zaak betrekking hebbende stukken (zie onder 2.19). Voor het eerst in hoger beroep stelt belanghebbende dat de onder 4.8 genoemde stukken niet ter inzage hebben gelegen. Het hof is van oordeel dat, indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de inspecteur door het niet overleggen van deze stukken niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende ter inzage heeft verstrekt en daarmee het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer hij tijdens de bezwaarfase wel (volledig) inzage zou hebben gehad in die stukken, hij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitspraak op bezwaar van belang was en tot een andere uitspraak op bezwaar zou hebben kunnen leiden dan de uitspraak op bezwaar die de inspecteur heeft gedaan. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
Vraag (v) tweede naheffingsaanslag
4.11.
Volgens belanghebbende kan geen tweede naheffingsaanslag worden opgelegd, nadat is vast komen te staan dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden bij het opleggen van de eerste naheffingsaanslag. Deze vraag was aan de orde in het bij de Hoge Raad lopende cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023 [1] en in welke zaak de Advocaat-Generaal een conclusie heeft uitgebracht. [2] De Hoge Raad heeft op 26 september 2025 arrest [3] gewezen en de Advocaat-Generaal niet gevolgd in diens conclusie. Gelet op dit arrest van de Hoge Raad dient het standpunt van belanghebbende te worden verworpen. Ook overigens ziet het hof geen belemmering in het opleggen van een tweede naheffingsaanslag nadat de eerste naheffingsaanslag is vernietigd. Van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur of schending van een grondrecht uit het Handvest is geen sprake.
.
Vraag (vi) en (vii) verzuimboete
4.12.
De inspecteur heeft op grond van artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete van € 4.823 opgelegd. De rechtbank heeft de verzuimboete met 20% gematigd tot € 3.858 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelt dat het opleggen van een verzuimboete nadat een eerdere vergrijpboete is opgelegd, maar vernietigd, niet is toegestaan op grond van artikel 5:43 Algemene Pro wet bestuursrecht en paragraaf 15, lid 3, Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst (hierna: BBBB). Het hof verwerpt dit door belanghebbende verdedigde standpunt. In deze bepaling is het zogenoemde ne-bis-in-idem-beginsel neergelegd. Dit beginsel brengt tot uitdrukking dat iemand niet twee maal wordt beboet voor dezelfde overtreding. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, omdat de aanvankelijk opgelegde vergrijpboete is vernietigd en dus niet meer bestaat. Van het tweemaal beboeten is dan ook geen sprake. Voor zover belanghebbende de hoogte van de boete bestrijdt, is het hof van oordeel dat een boete van 10%, zoals neergelegd in paragraaf 24 BBBB, en na vermindering door de rechtbank, passend en geboden is.
Vraag (viii) en (ix) uitleg van het Unierecht en prejudiciële vragen
4.13.
De stelling van belanghebbende dat de rechtbank artikel 267, letter a en artikel 267, tweede alinea, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft geschonden door uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht terwijl alleen het HvJ EU bevoegd is om dat te doen, is onjuist en wordt door het hof verworpen. Evenmin bestond voor de rechtbank in dit geval de verplichting om prejudiciële vragen te stellen. Datzelfde geldt voor het hof. Het hof ziet daar in de bijzonderheden van dit geschil ook geen aanleiding toe.
Vraag (x) (vooraf) heffen griffierecht
4.14.
Belanghebbende heeft zich met verwijzing naar het Unierecht verzet tegen het (vooraf) heffen van griffierecht.
4.15.
Het Unierecht leidt er niet toe dat belanghebbende (gedeeltelijk) vrijgesteld dient te worden van de verplichting tot betaling van griffierecht. Het hof merkt op dat belanghebbende geen beroep op vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gedaan. Ook ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot een ruimere regeling voor betalingsonmacht. Het hof wijst op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019 [4] . Dat het griffierecht vooraf betaald dient te worden, levert ook geen strijd op met het Unierecht.
Vraag (xi) samenhang zaken bij vergoeding van immateriële schade en proceskosten
4.16.
Belanghebbende heeft zich verzet tegen het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de beroepsfase sprake is van samenhang tussen de bpm-zaak van belanghebbende, met in de beroepsfase het nummer BRE 19/2660, en de ob-zaak van belanghebbende, met in de beroepsfase het nummer BRE 19/2426.
4.17.
Het hof stelt vast dat de rechtbank heeft overwogen dat in de bpm-zaak van belanghebbende hetzelfde feitencomplex aan de orde is en dat de fasen van de procedure gelijktijdig zijn doorlopen. Op basis daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor alle fasen van de procedure een zodanige samenhang bestaat dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriëleschadevergoeding voor de zaken van belanghebbende gezamenlijk éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.
4.18.
Vooropgesteld wordt dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. [5] Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat vanwege samenhang slechts één vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende moet worden toegekend.
4.19.
Belanghebbende klaagt er verder over dat de rechtbank de proceskostenvergoeding heeft berekend op € 2.266 voor deze zaak en de bpm-zaak tezamen. Volgens belanghebbende dient voor iedere zaak afzonderlijk een proceskostenvergoeding te worden vastgesteld, omdat geen sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de proceskosten als volgt gemotiveerd:
“4.2. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding van proceskosten omdat hij recht heeft op ISV. Vanwege de samenhang met de bpm-zaak van belanghebbende met zaaknummer 19/2660 zal in die zaak het totaal aan te vergoeden proceskosten worden toegekend.”
In de uitspraak van de rechtbank met het zaaknummer BRE 19/2660 is de beslissing met betrekking tot de proceskosten als volgt gemotiveerd:
“4. Het beroep is gegrond omdat de naheffingsaanslag, belastingrentebeschikking en de boetebeschikking worden vernietigd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
4.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 296. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Vanwege de samenhang met de omzetbelastingzaak van belanghebbende met zaaknummer 19/2426 dient voor beide zaken samen dit bedrag eenmaal te worden toegekend. Uit overwegingen van eenvoud wordt het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten volledig aan deze zaak toegekend en bedraagt dan ook € 2.266.”
4.20.
Artikel 3, lid 1, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) definieert samenhangende zaken als: door één of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, Bpb is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ob-zaak en de bpm-zaak voor wat betreft de beroepsfase als samenhangende zaken kunnen worden aangemerkt. Het hof acht dit oordeel juist. Het gaat om hetzelfde feitencomplex en hoewel de juridische vraag die voorligt in beide zaken verschillend is, is er wel sprake van een zodanige eenduidige beoordeling van het feitencomplex, dat sprake is van samenhang. Omdat het beroep in de bpm-zaak gegrond was, heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding berekend op basis van 2 proceshandelingen en een wegingsfactor 1 toegekend. Er bestond gelet op de samenhang geen aanleiding om wegens het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade een aanvullende proceskostenvergoeding toe te kennen.
Vraag (xii) werkelijke proceskosten
4.21.
Belanghebbende betoogt dat uit het Unierecht voortvloeit dat hij aanspraak maakt op een volledige vergoeding van de door hem gemaakte kosten van door derden beroepsmatig vereende rechtsbijstand. De forfaitaire regeling van het Bpb volstaat volgens belanghebbende niet en is daarom strijdig met het Unierecht.
4.22.
Het hof overweegt dat de regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming. [6] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt echter op zichzelf geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid, 3 Bpb voor een hogere vergoeding. [7]
4.23.
Het hof ziet geen reden om over te gaan tot het vergoeden van de werkelijke kosten van belanghebbende die zijn gemaakt. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb, die tot een dergelijke vergoeding zouden moeten leiden. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering. [8]
Belastingrentebeschikking
4.24.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag in stand blijft ziet het hof geen aanleiding om de belastingrentebeschikking te verminderen dan wel te vernietigen.
Tussenconclusie
4.25.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.26.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.27.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [9] Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een uitspraak in een procedure bij een andere rechter. De buiten beschouwing te laten periode vangt aan op het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en eindigt uiterlijk op de dag van de openbaarmaking van de uitspraak van die andere rechter of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak. [10] Dit betekent dat de periode tussen 5 december 2024 en 26 september 2025 (9 maanden en 21 dagen) niet wordt meegerekend voor de in aanmerking te nemen termijn. Dit heeft tot gevolg dat de redelijke termijn voor berechting van de zaak in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.28.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.29.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop T.A. Gladpootjes
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof ‘s-Hertogenbosch 5 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2187.
2.Conclusie A-G Koopman 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379
3.Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1410.
4.Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3 en 3.1.4.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.10.2.
6.Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.
7.Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.
8.Hoge Raad 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060; Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4.
9.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3.
10.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.7.1. t/m 3.7.5.